De kwestie is hier of we alle volgorden waarin de complementen kunnen
voorkomen, moeten vastleggen in het lexicon.
De volgorde van de complementen (objecten) onderling hoeft
namelijk niet altijd hetzelfde te zijn als de volgorde die
stipulatief in een S-frame is vastgelegd.
Het S-frame van geven suggereert bijvoorbeeld dat
het indirect object altijd vóór het direct object komt.
Dit blijkt niet zo te zijn. Het indirect object kan ook, mits het
gerealiseerd is als PP[aan], ná het direct object komen.
Laten we het complex aan feiten van de mogelijke volgorden van de objecten
IO (Indirect Object) en DO (Direct Object) eens op een rijtje zetten.
IO/DO-volgorde (zonder Extrapositie)\label{vb-io-do-zonder-extrapos}
| | ...dat Jan [IO-NP Marie ] [DO-NP een bos bloemen ]
geeft
|
| * | ...dat Jan [DO-NP een bos bloemen ] [IO-NP Marie ]
geeft
|
| | ...dat Jan [IO-PP aan Marie ] [DO-NP een bos bloemen ]
geeft
|
| | ...dat Jan [DO-NP een bos bloemen ] [IO-PP aan Marie ]
geeft
|
IO/DO-volgorde (met Extrapositie)\label{vb-io-do-met-extrapos}
| * | ...dat Jan [IO-NP Marie ] geeft [DO-NP
een bos bloemen ]
|
| * | ...dat Jan [DO-NP een bos bloemen ] geeft
[IO-NP Marie ]
|
| * | ...dat Jan [IO-PP aan Marie ] geeft [DO-NP
een bos bloemen ]
|
| | ...dat Jan [DO-NP een bos bloemen ] geeft
[IO-PP aan Marie ]
|
Onder de combinaties in (\ref{vb-io-do-zonder-extrapos}) is de volgorde
DONP IONP niet toegestaan.
In (\ref{vb-io-do-met-extrapos}) is het ook niet mogelijk om een IO
gerealiseerd als NP te extraponeren. Extrapositie van een NP met
als functie DO is evenmin mogelijk, wil de zin nog grammaticaal blijven.
De distributie van PP's blijkt vrijer te zijn dan die van NP's.
Waarom zijn bepaalde volgorden grammaticaal en andere juist ongrammaticaal?
Dit zou verantwoord kunnen worden door de Casustheorie\footnote{Deze
theorie moet geplaatst worden in het GB-kader}.
Volgens het Casusfilter (\ref{casusfilter}) moet iedere lexicaal
gerealiseerde NP zogenaamde Casus (= abstracte naamval) ontvangen,
anders ontstaat een ongrammaticale structuur.
Dat een NP een fonetische vorm heeft, wordt aangegeven met het
feature [+PF].
Casusfilter: \label{casusfilter}
*NP[+PF], indien deze NP geen casus ontvangt.
|
De NP als direct object kan alleen vóór het werkwoord naamval
ontvangen van de naamvaltoekennende lexicale categorie V (= Verbum). Iedere
lexicale NP moet, zo zegt het Casusprincipe, naamval ontvangen.
De richting van de naamvaltoekenning ligt per categorie en per taal vast
in de parameter-instelling.
Hierbij moet nog expliciet gezegd worden, dat de toekenning van naamval
door het werkwoord in het Nederlands naar links gebeurt, terwijl de
naamvaltoekenning door een voorzetsel, ook een (structurele)
naamvaltoekenner, naar rechts is.
De manier waarop casustoekenning plaatsvindt, lijkt ook van belang te zijn.
We nemen hier aan dat naamvaltoekenning in bepaalde stappen gebeurt:
eerst wordt de accusatief uitgedeeld aan de casusontvangende categorie die
het dichtst bij het werkwoord staat (het liefst adjacent aan het
werkwoord), vervolgens wordt als het werkwoord nog een casus over heeft
zoals bij ditransitieve werkwoorden de optionele datief toegekend aan
een mogelijke andere casusontvangende categorie. Aan een categorie die al
casus heeft ontvangen, kan niet nog een andere casus worden toegekend;
een casusontvangende categorie (NP) kan maar één naamval absorberen.
Als eenmaal een casus aan een bepaalde categorie is toegekend, kan deze
categorie dus geen kandidaat meer zijn voor casustoekenning.
In de volgorde DONP IONP in (\ref{vb-io-do-zonder-extrapos})
ontvangt de NP als direct object geen casus, omdat deze al is uitgedeeld
aan de NP als IO. Casustoekenning "kijkt" immers niet naar syntactische
functies maar naar categorieën die casus kunnen ontvangen. De NP in de
PP-aan de syntactische functie van deze PP-aan is
IO ontvangt de
naamval van het hoofd van die PP, de structurele naamvaltoekenner P. Deze
NP ontvangt zijn casus dus niet van het werkwoord maar van het voorzetsel.
Deze PP kan zowel achter als vóór de DO-NP staan. Zoals te zien
is in (\ref{vb-io-do-met-extrapos}), kan deze PP geëxtraponeerd worden.
De NP blijft casus ontvangen van de regerende
\footnote{Casustoekenning gebeurt onder een bepaalde structurele relatie
die de regeer-relatie genoemd wordt.
Een categorie a regeert een andere categorie b, als
de dominerende projectie(knoop), de knoop vlak boven die categorie a,
beide categorieën domineert maar waarbij categorie a en categorie
b elkaar niet domineren. Neem als voorbeeld voor a
eens de lexicale regeerder P en voor b de geregeerde categorie NP.
De definitie van regeren wordt dan een stuk helderder en concreter.}
categorie P.
De accusatief wordt aan het enige NP-complement (dit is DO) uitgedeeld.
Het Casusfilter wordt om die reden niet geschonden.
Doordat Casustoekenning door het Verbum naar links plaatsvindt, ontvangt
een geëxtraponeerde NP geen casus, met als gevolg dat het Casusfilter
geschonden wordt. De zinnen met een geëxtraponeerde NP zijn daarom
ongrammaticaal. Of deze NP nu de syntactische functie DO of IO heeft, dat
maakt verder niet uit. Casustoekenning kijkt immers niet naar functies.
De Casustheorie verantwoordt waarom een bepaalde volgorde van complementen
wel gerealiseerd kan worden en een andere volgorde niet. Op welke plaatsen
een NP-object mag staan ten op zichte van andere categorieën, hoeft dus
niet in het lexicon gestipuleerd te worden, maar wordt beregeld met
principes in de grammatica.
Ten slotte zal ik de plaats van het complement CP ten opzichte van het
werkwoord V bespreken. Een CP, die de elementaire lexicale
categorie-eigenschappen deelt met V: [-N,+V],
kan alleen ná de V, achteraan in de zin voorkomen. Dit kan
verklaard worden door het volgende. Terwijl een NP uiteindelijk op een
casusgemarkeerde positie moet staan vanwege het Casusfilter, mag een CP
daarentegen niet op een casusgemarkeerde positie (blijven)
staan\footnote{Dit idee, om zo de specifieke volgorde van de complementen
van V te verklaren, werd geopperd door Stowell.}.
Een CP mag dan in ieder geval niet (structureel) geregeerd worden door V.
Doordat Casustoekenning door V naar links is, kan een CP niet aan
een V voorafgaan. Er wordt wel aangenomen dat een CP in de Basis(structuur)
vóór de V gegenereerd wordt, waar ook de andere objecten staan. De CP
moet dan wel verplaatst worden door Extrapositie naar een positie na
V. De CP zal terechtkomen op een [CASUS]-positie via
Chomsky-Adjunctie\footnote{Een neutralere term zou zijn: Adjunctie.}.
Een algemeen Principe zou de distributie van onder andere CP wellicht
kunnen verklaren [Hoekstra 1984].
Unlike Category Condition (UCC):
In de oppervlaktestructuur mag geen element van
[aN, bV] een projectie
van [aN, bV] regeren.
|
Dit principe in \hetvb generaliseert over de volgorde van de complementen.
CP bevat dezelfde feature-inhoud als V, namelijk [-N,+V].
Dit is niet het geval voor PP [-N,-V], NP [+N,-V]
en AP [+N,+V].
Dit kan verklaren dat de volgorde van de complementen in de
oppervlaktestructuur als volgt is:
| NP, AP, PP | V | (extraponeerbare PP), CP
|
Hier kunnen we concluderen dat de volgorde van complementen volgt
uit algemene regels of principes.
Om die reden abstraheren we in het S-frame van volgorde.
We gaan uit van één S-frame bij ieder werkwoord vanwaaruit alle
mogelijke volgorden af te leiden zijn.