Een probleem is of in de S-frames de subjectposities meegenomen moeten
worden. Het subject kan bij ieder werkwoord gerealiseerd worden door een NP.
Zelfs als het werkwoord een sententieel subject selecteert, kan op de
subjectpositie een voorlopig subject staan in de vorm van
een NP (het). In dat geval is het sententiële subject
achteraan in de zin geadjungeerd. Het sententieel subject kan echter ook
na topicalisatie op de [Spec,CP]-positie staan.
Als in iedere finiete zin een subject voorkomt waarbij
dit subject structureel verantwoord wordt door de nominatiefnaamval van
[+tense] bij I=[+finiet], dan is dit een structurele eigenschap en
hoort het subject niet opgenomen te worden in het S-frame van een werkwoord.
Aan de andere kant wordt aan het subject wel de eerste theta-rol van het
werkwoord toegekend. Semantisch wordt dit subject dus wel door het
werkwoord geselecteerd. Als we thematische rollen bij de argumenten
plaatsen in het lexicon, dan mag het externe argument of de positie voor
het argument met de externe rol niet ontbreken in het S-frame.
Het subject van een zin is veelal een NP. Het kan echter ook een CP zijn.
Ik beschouw echter een CP, dat aan de oppervlakte als subject verschijnt,
in het S-frame als intern argument met als rol Object. Dit interne
argument komt op de EA-positie na verplichte ergativisatie.
Dit heeft twee consequenties. Ten eerste kan nu de generalisatie gemaakt
worden dat een argument met de thematische rol Object alleen een intern
argument kan zijn en nooit een extern argument.
Zo'n intern argument komt alleen op de EA-positie na verplichte ergativisatie.
Het sententiële subject moeten we dan altijd als een afgeleid subject
beschouwen, onderliggend blijft het een intern argument.
Ten tweede kunnen we nu zeggen dat in het S-frame alleen de categorie NP
in aanmerking komt als extern argument. De stelling dat het werkwoord alleen
syntactische restricties kan opleggen aan interne argumenten en niet
aan het externe argument wordt hiermee ondersteund. Zo verwachten we alleen
categorieselectie door het werkwoord bij interne argumenten.
De categorieselectie NP/CP voor het subject in de oppervlaktestructuur is nu
te verklaren door het feit dat het hier niet om een extern maar om een
intern argument gaat.
In [Bennis & Hoekstra 1989] wordt zo'n CP gezien als subjectszin, dat indien
het verschijnt, geadjungeerd wordt aan de zin.
| | dat hij dat zegt, betekent nogal wat
|
| | het betekent nogal wat, dat hij dat zegt
|
In dat geval zou je verwachten dat zo'n geadjungeerde subjectszin altijd
achteraan de zin staat, ook achter de objectszin. Dit blijkt echter niet
het geval te zijn, zoals de volgende voorbeelden laten zien:
| | [dat hij dat zegt] betekent [dat het zo is]
|
| * | het betekent [dat hij dat zegt] [dat het zo is]
|
| * | het betekent [dat het zo is] [dat hij dat zegt]
|
Blijkbaar kan niet zowel de subjectszin als de objectszin geadjungeerd worden.
Het lijkt er eerder op dat de subjectszin op de EA-positie staat, getuige
het volgende voorbeeld:
| betekent [dat hij dat zegt] ook [dat het zo is]?
|
Een geselecteerde CP lijkt in de basisstructuur onder VP te staan.
| | heti verontrust mij [CP dat hij niet is thuisgekomen]i
|
| | [CP dat hij niet is thuisgekomen] verontrust mij
|
Wanneer het CP-subject op de oorspronkelijke positie blijft staan,
dan verschijnt het als opvuller op de [Spec,IP]-positie.
Bij topicalisatie van CP verdwijnt het voorlopig subject het.
Dit voorlopig subject het staat op de positie SPEC-IP
(of SPEC-AGRsP, afhankelijk van waar agreement is geregeld).
De CP staat uiteindelijk op SPEC-CP.
Dat wil zeggen, dat als CP getopicaliseerd is, hij volgens
Minimality door SPEC-IP moet zijn heengegaan. Op die plaats staat
dus een spoor, en hoeft en kan dus geen het meer te staan.
Het feit dat een achteropgeplaatste CP correleert met een dummy-het
is een algemeen verschijnsel. Steeds is het patroon:
| | ... | [het] | ... | [CP] | | ik haat het dat het regent
|
| * | [CP] | [het] | ... | t | * | dat het regent haat ik het
|
| | [CP] | t | ... | t | | dat het regent haat ik
|
| | [CP], | [dat] | ... | t | | dat het regent, dat haat ik
|
Het voert ons te ver om hier uitgebreid op in te gaan.
Er zal zeker verder onderzoek nodig zijn om inzicht te krijgen in structuren
met geselecteerde bijzinnen (al dan niet met voorlopige zinsdelen).
Voor nu is het voldoende om te concluderen dat de syntactische structuur met
een voorlopig zinsdeel waarbij een correlatie bestaat tussen CP en het
voorlopig zinsdeel, niet apart vastgelegd hoeft te worden in het
lexicon. Het patroon volgt uit algemene principes. Verder lijkt het erop
dat een CP-subject in de dieptestructuur op de EA-positie staat.
We moeten concluderen dat veel kenmerken en constructies
af te leiden zijn uit andere eigenschappen en structuren.
Afleidbare eigenschappen en structuren nemen we niet op in het lexicon.
Het lexicon bevat dus alleen de toevallige eigenschappen, zoals de
ongeordend S-frames waarop algemene principes van toepassing zijn.
Het lexicon bepaalt steeds wat de mogelijkheden zijn in de basisstructuur,
zoals het (maximale) aantal argumenten en door welke categorieën
(NP, PP, VP, IP, CP, ...) deze afzonderlijke argumenten gerealiseerd
kunnen worden.
De algemene regels of principes bepalen de uiteindelijke syntactische
structuur, met daarin de realisatie en volgorde van argumenten bij het
werkwoord, en de mogelijke structurele variatie.
Ondertussen is te zien dat er een ware interactie is tussen het lexicon
en de syntaxis.