ERS en IS zijn beide dependentiestructuren waarin het regerende element,
een lexicale hoofdcategorie (zoals V), een zuster is van zijn dependanten.
De representaties op ERS en IS moeten voldoen aan de eisen van volledigheid
en coherentie. Om zowel volledig als coherent te zijn, moeten ze alle en
alleen die complementen bevatten die vereist worden door het
subcategorisatieframe van hun governor.
Het onderscheid tussen hoofd en complement en adjunct is niet
configurationeel weergegeven via structurele relaties of niveaus in een
bepaalde hiërarchie in de boomstructuur maar in de vorm van verschillende
naamgeving van de knooplabels (gov, arg, mod).
In ERS moet voldaan worden aan de categoriale eisen die het hoofd
oplegt aan zijn complementen (categorieselectie), terwijl in IS het hoofd
onafhankelijk van de syntactische subcategorisatie
semantische argumenten verwacht.
We zien dat syntactische subcategorisatie gescheiden is van de semantische
selectie.
In EUROTRA is de volgende onderverdeling in typen argumenten gemaakt:
| arg1: | diepte-subject; AGENS
|
|
|
| arg2: | diepte-object; PATIENS / THEMA
|
|
|
| arg3: | kan alles zijn behalve arg1 of arg2 in een drie-plaatsig predikaat;
|
| | in vier-plaatsige constructies is het het indirect object of Bron;
|
| | attributen van objecten
|
| |
- arg_P2: tweede participant (bezield); DOEL/ONTVANGER
- arg_2E: tweede entiteit (onbezield); DOEL/BRON/PLAATS
- arg_AS: attribuut van subject (subjectcomplement);
secundaire statische predikatie over subject
- arg_AO: attribuut van object (objectcomplement);
secundaire statische predikatie over object
- arg_Pe: datief-waarnemer; datief-waarnemer bij
raising-predikaten
|
|
|
| arg4: | frame-gebonden PP's die anders niet geïndexeerd zijn;
|
| | bijvoorbeeld adjunct-argumenten die uitgedrukt
worden door een zwak of sterk gebonden voorzetsel
|
| |
- arg_PLACE: arg_adjunct [+Plaats]
- arg_ORIGIN: arg_adjunct [+Bron]
- arg_GOAL: arg_adjunct [+Doel]
- arg_MANNER: arg_adjunct [+Hoedanigheid]
- arg_MEASURE: arg_adjunct [+Maat]
- arg_ASSOC: arg_adjunct [+Associatie]
|
Een argumentstructuur bestaat uit een extern argument en
interne argumenten eventueel gecombineerd met een aantal andere
beperkte argumenttypen.
Hieronder zal duidelijk worden gemaakt wat de motivatie was in EUROTRA
om gebruik te maken van argumentstructuren.
De theorie is in eerste instantie niet meer gebaseerd
op de volgorde van complementen, maar is gebaseerd op noties afkomstig
van een theorie van onderliggende syntactische functies zoals
diepte-subject en diepte-object.
Deze diepte-functies zijn soms verder gedifferentieerd met
meer semantische kenmerken ten gunste van de indexatie van predikaten
met een hogere valentie (tri- en tetravalente predikaten).
De argumentstructuur kan gebruikt worden als een representatie om:
- het coderen van predikaten in een gegeven taal mogelijk te maken
op basis van de data van die taal alleen;
- voorbeelden van complexe transfer te minimaliseren;
- intra- en inter-talige codeerconsistentie te maximaliseren;
- een zeer groot aantal predikaten te kunnen beschrijven.
In de argumentstructuur worden de argumenten nauwelijks gespecificeerd:
arg1, arg2, arg3, arg4. Zo'n minimale typering van argumenten kan zinvol
zijn waar een rol moeilijk te karakteriseren is of waar een argument
meer dan één rol schijnt te vervullen. Een minimale typering
bevordert intercodeerconsistentie en minimaliseert
daardoor een complexe tranfer.
In veel gevallen is het toevoegen van alleen lexicaal-semantische features
voldoende om een correcte lexicale selectie in de transfer te garanderen.
Hieronder zal ik in het kort bespreken hoe de controle van subcategorisatie
plaatsvindt op het niveau ERS.
Elk afzonderlijk frame wordt beschreven door een aparte b-regel.
Als complementen altijd verplicht aanwezig zouden zijn in de structuur en
er altijd een duidelijk verschil zou zijn met modifiers, dan zou een
opsomming van b-regels volstaan om zowel de volledigheid als de coherentie
van een frame te controleren.
Het is echter zo dat in veel frames de complementen optioneel zijn.
Ook het verschil tussen complementen en modifiers wordt moeilijker
te onderscheiden: beide kunnen bijvoorbeeld in de vorm van een PP optreden.
Deze informatie aangaande de optionaliteit/verplichtheid van complementen
moet opgenomen worden in de ERS-frames van de werkwoorden.
Dit kan als volgt uitgedrukt worden: COMPL_n = OBL/OPT.
Een b-regels die een bepaald frame beschrijft, kan bepaalde complementen
als optioneel markeren.
Strict-regels en filter-regels worden gebruikt om condities van
volledigheid en coherentie te formuleren.
Zo kan een strict-regel afdwingen dat een bepaald complement een bepaalde
functie heeft. Een killer-regel kan structuren ongedaan maken
waar een verplicht complement is vereist maar niet aanwezig is.
Bij de mapping van ERS naar IS worden allerlei hypothesen gepostuleerd.
De hypothesen worden getoetst aan de hand van het casusframe of de
verzameling semantische argumenten die het werkwoord verwacht.
We hebben een 'zwakke structuur' die nog niet geconsolideerd is: bepaalde
elementen kunnen nog veranderen.
Met mapping-regels wordt een configuratie van semantische argumenten
als hypothese voorgesteld.
Indien de hypothese van rolverdeling toegepast op de 'zwakke structuur'
niet voldoet aan de eisen van volledigheid en coherentie, dan wordt de
structuur uitgefilterd. Er wordt een IS-structuur opgeleverd als
de voorgestelde argumenten wel voldoen aan het casusframe.
De argumenten (arg1, arg2, arg3, arg4) die in EUROTRA gebruikt worden,
vormen een belangrijk onderdeel in het bereiken van een interface-structuur
van syntaxis naar semantiek.
Het syntactische niveau is in het EUROTRA-model goed gescheiden van
het semantische niveau.
De controle van subcategorisatie gebeurt in termen van categorieën en
functies.
Op het niveau van IS wordt geabstraheerd van de concrete categoriale waarde
van argumenten. Daar wordt gewerkt met argumenten zoals is weergegeven.
Uiteindelijk gaat het om de semantische argumenten bij de
semantische kern V. Door alleen te werken met een argumentstructuur,
kan de transfer van IS(brontaal) naar IS(doeltaal) eenvoudig blijven.
Argumenten vormen hier min of meer de elementen van overbrugging,
om van de ene naar de andere taal te komen.