Subcategorisatie als argumentselectie
In eerste instantie is subcategorisatie mijns inziens de verzameling
argumenten die het werkwoord selecteert.
Hieronder zal ik de stelling dat het werkwoord direct
subcategoriseert voor syntactische argumenten, waarbij dus argumentposities
worden gecreëerd, onderbouwen met argumenten.
(Zie [Grimshaw 1982] voor andere aanvullende argumenten die
pleiten voor grammaticale relaties, vergelijkbaar met syntactische
argumenten, in plaats van structurele subcategorisatie in termen van
alleen syntactische categorieën.)
Als eerste argument voor de stelling dat een werkwoord
argumenten selecteert, geldt het uitgangspunt dat de thematische rollen
die het werkwoord uitdeelt, toegekend worden aan
argumenten (of argumentposities) en niet aan syntactische categorieën.
Als een bepaald argument een bepaalde thematische rol krijgt, dan hebben
alle realisaties van dit argument deze thematische rol.
Het kan zelfs zo zijn dat een thematische rol bij de handeling, uitgedrukt
door het werkwoord, impliciet aanwezig is. De rol is dan toegekend
aan een argument dat niet lexicaal gerealiseerd is in de vorm van een
categorie. Dit is een aanwijzing dat rollen direct toegekend worden
aan argumenten of argumentposities. De selectie door het werkwoord begint
dus op het niveau van argumentstructuur waarin duidelijk wordt hoeveel en
welke argumenten het werkwoord neemt.
Door aan te nemen dat een thematische rol bij een uniek syntactisch argument
hoort, wordt voorkomen dat aan alle mogelijke realisaties van dit argument
steeds dezelfde thematische rol moet worden toegekend.
Een voorbeeld met het werkwoord vertellen kan dit verduidelijken.
Als we uitgaan van de semantische rollen van [Fillmore 1968], dan deelt
het werkwoord vertellen drie rollen uit:
In de zin hij vertelt het kind een sprookje geldt dan de volgende
rolverdeling:
Het werkwoord heeft dus drie thematische rollen die aan unieke argumenten
worden toegekend.
Diezelfde rolverdeling geldt voor de zin
hij vertelt een sprookje aan het kind, waar de rol Datief aan het
argument aan het kind wordt toegekend.
Ieder referentieel argument moet een unieke thematische rol van het
werkwoord ontvangen. De categoriale invulling van dit argument kan daarbij
variëren. Dit interne argument krijgt de Datiefrol,
waarbij het niet uitmaakt of dit argument uiteindelijk gerealiseerd is
door een NP of een PP.
Zo geldt voor het interne argument met de Object-rol bij het werkwoord
vertellen dat dit door een NP, zoals in het voorbeeld, of door een
CP of door een PP gerealiseerd kan worden:
hij vertelt haar [CP dat hij daar met enthousiasme aan heeft gewerkt]
en hij vertelt haar [PP over zijn belevenissen].
Onafhankelijk van de syntactische categorieën neemt ieder zelfstandig
werkwoord dus argumenten waaraan unieke rollen worden toegekend.
Ten tweede geeft optionaliteit een duidelijke aanwijzing voor de juistheid
van de stelling dat het werkwoord direct subcategoriseert voor
syntactische argumenten. Optionaliteit heeft direct betrekking op
argumenten en niet op syntactische categorieën.
Als een werkwoord een optioneel argument selecteert, dan zijn er twee
mogelijkheden: of er wordt geen enkele syntactische categorie gerealiseerd
(nulcomplement) of het argument wordt wel gerealiseerd in de vorm
van één van de mogelijke categorieën.
Als een werkwoord een verplicht argument selecteert, dan mag dit
argument volgens de subcategorisatie-eisen niet ontbreken in de structuur.
Alle mogelijke syntactische categorieën als realisaties van dit
verplichte argument zijn dan automatisch ook verplicht.
Het is daarom overbodig om alle syntactische categorieën afzonderlijk voor
het kenmerk optionaliteit te specificeren. Het komt namelijk niet voor,
dat het afhankelijk is van de syntactische categorie zelf of een argument wel
of niet optioneel is. Als een argument optioneel of verplicht is, dan geldt
dat voor alle realisaties van dit argument en dus voor alle mogelijke
syntactische categorieën bij dit argument.
Als laatste punt moet opgemerkt worden dat als het werkwoord een argument
selecteert, dit argument niet altijd gerealiseerd hoeft te worden.
Of een argument met een bepaalde syntactische categorie daadwerkelijk
gerealiseerd wordt, hangt af van principes die gelden op de syntactische
structuur.
Zo zegt het Casusprincipe dat alle lexicale NP's naamval moeten ontvangen.
Dit betekent dat een NP-argument syntactisch niet gerealiseerd kan worden
als de NP geen naamval ontvangt in de syntactische structuur.
In het geval van een werkwoord dat twee argumenten selecteert en
slechts één naamval heeft uit te delen, kan maar één NP en niet de
beide NP's gerealiseerd worden, tenzij een van de twee NP's na P-insertie
als een PP kan optreden waarbij die ene NP dan zijn casus van het voorzetsel
ontvangt (P als case marker).
Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van enkele S-frames.
Het eerste voorbeeld demonstreert dat niet alle argumenten van
het werkwoord wegen in een bepaalde syntactische structuur
gerealiseerd kunnen worden.
degene die vertelt (de verteller);
degene aan wie het verteld wordt (de toehoorder);
dat wat verteld wordt (het vertelde).
| wegen: | EA[NP] | IA[NP] | IA[NP] |
| +AGENS | +OBJECT | +ATTRIB |
Als we aannemen dat het werkwoord wegen maar één naamval uitdeelt, dan kunnen de beide interne NP-argumenten niet tegelijk gerealiseerd worden. De NP(+Attributief) blijft daarom in de causatieve lezing afwezig, omdat de naamval dan aan de NP(+Object) is uitgedeeld. In geval van de niet-causatieve lezing, die ontstaat na ergativisatie (\ref{paragraaf-afleidbaarheid}), staat de NP(+Object) op de subjectspositie, de EA-positie, waar eerst NP(+Agens) stond. Het werkwoord heeft nog steeds één naamval uit te delen. Nu kan NP(+Attributief) na het ontvangen van casus wel gerealiseerd worden. Iedere NP moet immers een naamval toegekend krijgen en iedere naamval moet geabsorbeerd worden.
| hij weegt [het boek] | |
| [het boek] weegt drie kilo |
Het volgende voorbeeld laat zien dat een bepaald NP-argument waaraan het werkwoord geen casus toekent, door het invoegen van een voorzetsel toch gerealiseerd kan worden. Het Casusfilter wordt immers niet geschonden: de NP ontvangt zijn naamval nu van het voorzetsel.
| verwarren : | EA[NP] | IA[NP] | IA[met+NP] |
| +AGENS | +OBJECT | +CO-OBJECT | |
| wachten : | EA[NP] | IA[op+NP] | |
| +AGENS | +OBJECT |
Het werkwoord verwarren deelt één naamval uit en het werkwoord wachten deelt geen enkele naamval uit. Toch kunnen de resterende NP-argumenten in de beide S-frames gerealiseerd worden door het invoegen van een voorzetsel (respectievelijk met en op) dat casus aan die resterende NP uitdeelt. Dit voorzetsel staat er dus om syntactische redenen, zodat voldaan wordt aan het Casusprincipe. Hetzelfde lijkt het geval te zijn bij het werkwoord geven.
| geven : | EA[NP] | IA[aan+NP] | IA[NP] |
| +AGENS | +DATIEF | +OBJECT |
Het werkwoord geven heeft drie thematische rollen: Agens, Datief en Object. Het werkwoord geven lijkt twee naamvallen uit te delen, zodat de twee interne NP-argumenten gerealiseerd kunnen worden. Het is hier echter ook goed mogelijk dat het werkwoord maar één naamval uitdeelt, en wel aan de NP(+Object). De NP met de thematische rol Datief ontvangt zijn naamval dan van het gedeleerde voorzetsel aan. Als de Datief als PP in de structuur voorkomt, dan treedt het voorzetsel aan namelijk op als casusuitdeler: het dient om de NP te voorzien van casus. We spreken dan van inherente casus bij de Datief.
We hebben hier voorbeeld gezien dat de realisatie van bepaalde argumenten afhangt van het Casusprincipe. Principes bepalen dus uiteindelijk welke argumenten gerealiseerd kunnen worden.
De bovenstaande argumentatie maakt duidelijk dat syntactische argumenten, een abstracter type dan syntactische categorieën, nodig zijn als bouwstenen in een S-frame. De conclusie is dat het werkwoord in eerste instantie subcategoriseert voor syntactische argumenten.
Door te werken met EA en IA bouwen we een argumentstructuur op. Deze argumentstructuur met argumentposities heeft als voordeel dat het als interface-structuur kan dienen tussen syntaxis en semantiek.
Een bijkomend voordeel van het gebruik van argumenten als hoofdtype is dat de principes algemeen geformuleerd kunnen worden. Zo kunnen algemene regels als Ergativisatie, Reflexivisatie en Passivisatie in termen van argumenten en argumentposities weergegeven worden waarbij geabstraheerd wordt van syntactische categorieën (zie paragraaf \ref{paragraaf-afleidbaarheid}).
In de strikte zin van subcategorisatie (structurele subcategorisatie) wordt het externe argument, het subject, buiten het S-frame gelaten. Casustoekenning aan dit externe argument gaat buiten het werkwoord om. Het externe argument krijgt zijn nominatiefnaamval van de structurele positie I [+tense]. Als we echter de thematische rollen erbij betrekken, dan dient het externe argument in het S-frame opgenomen te worden. De thematische rol van het externe argument is namelijk niet structureel af te leiden uit algemene regels of principes. De externe rol bij het externe argument wordt direct bepaald door het werkwoord zelf. We moeten een onderscheid maken tussen het externe argument, die de externe rol van het werkwoord krijgt, en interne argumenten, waaraan de interne rollen van het werkwoord worden toegekend. Hieronder zal duidelijk gemaakt worden waarom dit onderscheid moet worden gemaakt en in welk opzicht dit direct in verband staat met subcategorisatie.
Het externe argument, het subject, staat oorspronkelijk op de [Spec,VP]-positie in de benadering van het VP-interne subject. Het valt dus buiten het V'-domein. De aanwezigheid van een subject lijkt structureel bepaald te zijn. Bij ieder werkwoord hoort immers een subject, terwijl niet ieder werkwoord een object heeft. Bovendien gelden de eisen die een werkwoord op kan leggen aan interne argumenten, niet strikt voor het externe argument. Zo kan het externe argument bij ieder werkwoord gerealiseerd worden door een NP, terwijl de categoriale realisatie van het interne argument afhangt van het werkwoord. Het interne argument kan dus niet, zoals het externe argument, altijd de vorm van een NP aannemen.
Een belangrijke vaststelling is verder dat bij een willekeurig werkwoord het subject niet altijd lexicaal gerealiseerd hoeft te worden. Of een subject lexicaal wel of niet gerealiseerd wordt, is niet afhankelijk van de subcategorisatie-eisen van het werkwoord. Ongeacht het werkwoord, treedt er in geval van een infinitief- of imperatiefzin geen lexicale subject-NP op. De lexicale NP als subject is wel aanwezig in een finiete zin met tempus. Als de Inflectie-knoop (I-knoop) het feature [+tense] bevat, dan kan het subject lexicaal gerealiseerd worden, omdat dit [+tense]-element de naamval +nominatief uitdeelt aan het NP-subject. Volgens het Casusprincipe moeten namelijk alle lexicale NP's naamval ontvangen. Als de I-knoop het feature [tense] bevat, dan wordt er geen nominatief uitgedeeld. Dit verklaart waarom er geen lexicaal subject optreedt. Als er namelijk wel een lexicale NP als subject gerealiseerd zou worden, dan zou volgens het Casusfilter een ongrammaticale structuur ontstaan. Deze NP ontvangt immers bij [tense] geen naamval van I. Dit geeft al aan dat de subject-NP zijn naamval niet kan ontvangen van het werkwoord, want dan zou het subject altijd zijn nominatiefnaamval kunnen krijgen van dit werkwoord en dus altijd lexicaal gerealiseerd mogen worden, of de zin nu [+tense] of [tense] is. We zagen echter dat zinnen die [tense] zijn, nooit een lexicaal gerealiseerd subject hebben. We moeten concluderen dat de syntactische subjectpositie inclusief de nominatiefnaamval voor het externe argument niet bepaald wordt door het werkwoord.
De interne argumenten zijn de objecten. Deze interne argumenten vallen binnen het V'-domein en worden direct gesubcategoriseerd door V. Allereerst wordt het aantal interne argumenten dat in een syntactische structuur kan optreden, syntactisch bepaald door het werkwoord. Ten tweede krijgen interne argumenten hun naamval direct van het werkwoord. En als laatste bewijs dat interne argumenten syntactisch door het werkwoord worden geselecteerd is het gegeven dat de categoriale vorm (zoals NP, PP, VP, IP, CP) van interne argumenten direct afhankelijk is van het werkwoord. Ieder werkwoord kan weer andere categorie-eisen opleggen aan zijn interne argumenten. Ook prepositieselectie is afkomstig van het werkwoord en kan alleen betrekking hebben op interne argumenten. Het werkwoord kan, met andere woorden, extra categoriale eisen stellen uitsluitend aan zijn interne argumenten.
Vervolg: Grammaticale functies tegenover syntactische argumenten
|
|