In plaats van syntactische argumenten zou een ander type van min of meer
hetzelfde of een iets ander abstractieniveau genomen kunnen worden.
De traditionele grammaticale functies, zoals subject, direct object,
indirect object, zouden hier voor in aanmerking kunnen komen.
Ze zijn te beschouwen als metacategorieën: categorieën over
categorieën. Ze geven de grammaticale relatie van de categorieën ten
opzichte van de zin aan. Subcategorisatie zou in termen van
grammaticale functies kunnen worden uitgedrukt.
Voor deze aanpak kiest Grimshaw (1982).
De subcategorisatie-eisen in termen van grammaticale functies zien er
als volgt uit:
S-frames in functies:
| lachen : | SU | [ ]
|
| zien : | SU | [ DO ]
|
| wachten : | SU | [ PO ]
|
| geven : | SU | [ IO DO ]
|
Grammaticale functies zijn in bepaalde opzichten vergelijkbaar met
syntactische argumenten.
Zo wordt namelijk ook geabstraheerd over syntactische categorieën.
Er is sprake van een type op een abstracter niveau.
Ik kies echter niet voor de benadering van Grimshaw waar
grammaticale functies als belangrijkste type elementen worden gezien
die het werkwoord selecteert, de zogeheten
functionele subcategorisatie [Grimshaw 1982].
Hier heb ik twee redenen voor:
enerzijds kleven er nadelen aan deze functionele subcategorisatie,
anderzijds mist de benadering met grammaticale functies de voordelen van
de benadering met syntactische argumenten in de S-frames.
Het enige voordeel dat het gebruik van grammaticale functies biedt, zoals
het verschillende syntactische gedrag van de afzonderlijke grammaticale
functies, geldt ook in de benadering met syntactische argumenten als
daarbij een nieuw type wordt toegevoegd, en wel het semantische type:
de thematische rollen. Hier zal ik nog nader op ingaan.
Laat ik eerst de nadelen en de problemen van het gebruik van
grammaticale functies bespreken.
Ten eerste zijn grammaticale functies, die de grammaticale relaties tussen
de grammaticale objecten (categorieën) weergeven ten opzichte van de zin,
in syntactische boomstructuren redundant, omdat deze functies af te leiden
zijn uit de structurele positie in de boomstructuren.
De primitieven 'subject' en 'object' zijn namelijk uit te drukken in
structurele relaties:
| | subject: | [Spec,VP]
|
| | object: | [Spec,V']
|
We zouden dan echter de structuur al opgebouwd hebben (via afleiding).
Hier moeten we beginnen met de basis. We hebben niets, dus ook geen
dieptestructuur (D-structuur). Na lexicale insertie via
Subcategorisatie-regels krijgen we uiteindelijk de D-structuur.
In het lexicon kunnen we daarom wel gebruik maken van syntactische functies
die al de relaties aangeven tussen de grammaticale objecten
(categorieën). Maar het probleem is dat er al iets wordt uitgedrukt wat
nog gaat komen. Zodra de gehele boomstructuur is opgebouwd, zijn de
functionele categorieën, zoals de grammaticale functies, overbodig.
De differentiatie in grammaticale functies komt eerder voort uit
de verschillende structurele relaties. De structuur bepaalt dus de
uiteindelijke grammaticale functies van de categorieën. Er ontstaat
redundantie als deze functies al als primitieven in de S-frames worden
gebruikt.
Als er een één-op-één-relatie gold tussen vorm en functie,
dan zouden enkel grammaticale functies of enkel syntactische
categorieën volstaan. De syntactische categorieën zouden dan
achterwege kunnen blijven, omdat deze dan uit de grammaticale
functies af te leiden zouden zijn, en vice versa. Een dergelijke
overeenkomst tussen grammaticale functie en syntactische categorie
bestaat echter niet [Grimshaw 1982]. Een direct object kan
bijvoorbeeld bij het ene werkwoord alleen door een bepaalde
categorie, bijvoorbeeld NP, worden gerealiseerd, terwijl dit
object bij een andere werkwoord een andere categoriale realisatie,
bijvoorbeeld een PP of bijzin, oplevert. In de benadering van
Grimshaw wordt deze één-op-één-relatie wel bewerkstelligd
door als het ware de categorie te coderen in de functienaam. Zo
krijgen we de functienamen 'direct object', 'prepositional object'
en 'clause' in plaats van de grammaticale functie 'object'
gerealiseerd door respectievelijk een NP, PP en een bijzin. Het is
zeer te betwijfelen of in deze aanpak van Grimshaw deze
verschillende functienamen ook verschillende grammaticale functies
omvatten. Het is aannemelijker dat het hier gaat om dezelfde
grammaticale relatie of functie die door verschillende
categorieën verwezenlijkt is. In deze benadering zijn dan ook
twee typen verward: de meta-categorie (het type van de categorie
over de categorie) en de categorie zelf. Als de beide typen in een
één-op-één-relatie tot elkaar zouden staan, dan zou er
duidelijk sprake zijn van redundantie. De categoriale informatie
is immers ook al gecodeerd in de functienamen. Uiteindelijk kunnen
we dan niet meer spreken van een onderverdeling in grammaticale
functies. Iedere nieuwe combinatie tussen functie en categorie
levert een nieuwe naam op. We moeten er echter voor zorgen dat
linguïstische informatie op verschillende niveaus gescheiden
blijft: informatie op het functionele niveau (niveau 1) en
informatie op het categoriale niveau (niveau 2).
De beschrijving van subcategorisatie in termen van alleen
grammaticale functies is nooit toereikend, zoals ook het geval is
bij het gebruik van alleen argumenten in het S-frame.
Subcategorisatie-effecten zoals categorie- en prepositieselectie van het
werkwoord, kunnen met alleen grammaticale functies niet adequaat verantwoord
worden.
De prepositieselectie, namelijk welk voorzetsel het
prepositioneel object neemt, is direct afhankelijk van het werkwoord
en niet van de grammaticale functie zelf.
Het werkwoord selecteert een vast voorzetsel. Het werkwoord bepaalt dus
welke vorm het voorzetsel aanneemt in het prepositioneel object.
Er zijn daarbij sterke argumenten die ervoor pleiten om het
voorzetselvoorwerp (prepositioneel object) eerder als lijdend voorwerp
(direct object) te beschouwen met een geadjungeerd voorzetsel
[Van den Toorn 1971].
Het uitgangspunt dat een voorzetselvoorwerp een gewone PP vertegenwoordigt
die door het werkwoord als geheel geselecteerd wordt, lijkt mij onjuist.
Het voorzetselvoorwerp is namelijk geen gewone PP, maar eerder een NP met
een geadjungeerde prepositie: P+[NP].
In de analyse P+[NP] wordt tot uitdrukking gebracht en verklaard waarom er
verder op veel punten niets PP-achtigs mogelijk is bij het voorzetselvoorwerp.
Hieronder zal ik deze nieuwe analyse voor het voorzetselvoorwerp onderbouwen.
Een eigenschap van een PP is dat de Specificeerder/Specifier-positie
ervan nog gevuld kan worden met een P-bepaling zoals een
bijwoord pal/vlak/direct of een nadere positiebepaling
zoals binnen/voor/achter.
label{vb-spec-pp}
| | hij staat [(pal/vlak/direct) VOOR/ACHTER de deur]
|
| | hij woont [(pal/vlak/direct) BIJ/AAN de rivier] |
| | hij bevindt zich [(binnen/voor/achter) in de grot]
|
| | dat is gebeurd [(vlak/direct) VOOR/NA die historische gebeurtenis]
|
Allereerst is het voorzetsel van een PO niet uit te breiden met canonieke
P-bepalingen. P-bepalingen staan op de Specifier-positie van de PP
[Spec,PP], zoals \ref{vb-spec-pp} laat zien.
label{vb-bij-vzv-ongrammaticaliteit-spec-pp}
| | hij is bang [(*pal/*vlak/*direct/*binnen) VOOR de boze wolf]
|
| | hij zwoer [(*pal/*vlak/*direct/*binnen) BIJ deze oplossing]
|
| | hij geloofde [(*binnen/*voor/*achter) IN die stelling]
|
| | hij denkt [(*pal/*vlak/*direct/*binnen) AAN haar]
|
Ten tweede kan het voorzetsel bij een voorzetselvoorwerp niet echt dienen
als hoofd van die veronderstelde PP. Het voegt geen betekenis toe aan de
gehele woordgroep. Het vaste voorzetsel treedt op als dummy en wordt door
het werkwoord bepaald.
Het voorzetsel in een canonieke PP is daarentegen wel het hoofd van de gehele
woordgroep. Het voegt immers, onafhankelijk van het werkwoord,
betekenis toe aan de rest van de PP. Het betreft dan meestal een
dimensionale of locatieve toevoeging.
Het voorzetsel op geeft de positie van het zitten aan: waarop wordt
gezeten: niet onder, naast, tussen of tegen, maar
(boven)op een stoel.
De laatste aanwijzing die laat zien dat het werkwoord niet direct
een autonome PP selecteert, is de onmogelijkheid tot inbedding.
Een voorbeeld van vrezen voor tegenover wonen
kan dit duidelijk maken.
De combinaties van P+NP zijn al dan niet ingebed als nabepaling van een NP.
label{vb-pp-inbedding}
| | zij vreest [voor de boze wolf [in het bos]]
|
| | zij vreest ([in het bos]) [voor de boze wolf]
|
| * | zij vreest [in het bos [voor de boze wolf]]
\footnote{Hier moet wel de betekenis
van bang zijn voor (iets/iemand) gehandhaafd blijven.
|
| | zij woont [naast de winkel [tegenover een voetbalveld]]
|
| | zij woont [tegenover een voetbalveld [naast de winkel]]
|
We kunnen vaststellen dat het werkwoord en het voorzetsel van het
voorzetselvoorwerp op hetzelfde niveau staan. Er is een soort
regeerrelatie tussen het werkwoord en het vaste voorzetsel. Deze
relatie blijkt ook uit het feit dat het voorzetsel afzonderlijk
door het werkwoord wordt geselecteerd. Bij inbedding staat het
vaste voorzetsel niet meer op gelijk niveau met het werkwoord. Het
werkwoord kan het voorzetsel dan niet meer regeren, zodat
ongrammaticaliteit ontstaat. Als we het voorzetselvoorwerp
beschouwen als een gewone PP, dan zouden we verwachten dat
inbedding wel mogelijk zou zijn. Bij een normale PP is inbedding
immers mogelijk.
We moeten concluderen dat we het voorzetselvoorwerp niet kunnen
beschouwen als gewone PP. Het voorzetsel van het
voorzetselvoorwerp is onlosmakelijk met het werkwoord verbonden.
Het voorzetsel vormt dan ook eerder met het werkwoord dan met de
NP een eenheid. Dit is ook af te leiden uit het feit dat het
werkwoord en het vaste voorzetsel op hetzelfde niveau staan. Zoals
we zagen in \hetvb, is inbedding van het voorzetselvoorwerp niet
mogelijk. Het voorzetsel behoort dus op hetzelfde niveau te
blijven staan als het werkwoord dat het betreffende voorzetsel
selecteert. Het voorzetsel is niet het hoofd van de woordgroep,
zoals dat wel het geval is bij gewone PP's. De stelling is dan
gerechtvaardigd dat we het voorzetselvoorwerp eerder moeten zien
als een lijdend voorwerp (NP-object) waaraan een dummy-voorzetsel
is geadjungeerd.
Het indirect object zouden we ook als
object kunnen beschouwen met een geadjungeerd voorzetsel aan.
Daar zijn argumenten voor gegeven in verband met anaforische relaties:
| | we hebben aan Jan zichzelf aangeraden.
|
Als deze zin goed is, dan zou Jan de anafoor zichzelf
moeten c-commanderen, want zichzelf moet, als gebonden anafoor, een
c-commanderend antecedent vinden. Maar als aan Jan een PP is,
c-commandeert Jan niet zichzelf.
Wanneer we nu stellen dat aan een geadjungeerde casusmarkeerder is
bij de NP Jan, wordt aan die c-commandrestricties wel voldaan.
Hetzelfde verschijnsel zien we bij argumenten van nomina:
| | een boek van Vestdijk over zichzelf
|
Deze zin kan alleen begrepen worden als Vestdijk het subject van
het nomen is (niet als Vestdijk een possessief is).
Het probleem met deze argumentatie in het kader van het voorzetselvoorwerp is,
dat de schaarse werkwoorden met voorzetselvoorwerp en lijdend voorwerp het
voorzetselvoorwerp bij voorkeur achteraan hebben.
| *? | we vergeleken met Jan zichzelf
|
| *? | we vergeleken met Jan Piet
|
De laatste is alleen mogelijk met heavy NP:
| | we vergeleken met Jan iedereen die we maar tegen kwamen.
|
Het probleem is nu dat zichzelf geen heavy NP kan zijn.
Constructies met vrije anaforen zoals persoonlijke voornaamwoorden
(hem) lijken voor de P+[NP]-analyse te pleiten.
| * | we vergeleken met 'mi iedereen die Jani tegenkwam
|
De ongrammaticaliteit van deze zin zouden we kunnen verklaren wanneer we
aannemen dat 'm de non-anafoor Jan c-commandeert.
Principe C van de bindingstheorie zegt dat een non-anafoor, zoals een naam,
nooit gecoïndexeerd mag zijn met een c-commanderende categorie.
De argumentatie aangaande vrije anaforen zou ervoor kunnen pleiten om
het voorzetselvoorwerp te beschouwen als een NP met een geadjungeerde
prepositie en dus niet als een gewone PP.
Er zijn nog enkele nadelen verbonden aan de P+[NP]-analyse voor het
voorzetselvoorwerp:
- het voorzetselvoorwerp doet gewoon mee aan PP-over-V;
- er kan gewoon een voornaamwoordelijk bijwoord gemaakt worden.
Een probleem is dat PP-over-V wel toepasbaar is op het voorzetselvoorwerp.
Deze verplaatsingsregel kan echter ook (later in de grammatica) van
toepassing zijn op oppervlakte-PP's, waaronder ook P+DO.
Dit zou dan een vorm van heranalyse zijn, waar een NP met een
geadjungeerde P beschouwd wordt als een PP.
Na deze heranalyse is het mogelijk dat er van de oppervlakte-PP een
voornaamwoordelijk bijwoord gemaakt wordt.
Als we de syntactische functie DO loskoppelen van de categorie, dan kunnen we
met zekerheid zeggen dat het VZV een DO is. Daar bestaat geen twijfel
over. Het VZV is namelijk gewoon een soort LV, maar dan met een voorzetsel.
Het voorzetsel voegt hoegenaamd niets aan de betekenis toe.
Het traditionele onderscheid tussen direct object (DO) en
prepositioneel object (PO) kan dus komen te vervallen. Een PO
is eigenlijk een DO met een geadjungeerde prepositie.
Het onderscheid tussen DO en PO is niet gebaseerd op functionele maar
op categoriale verschillen.
Door met IA te werken nemen we de groep van Objecten samen.
Als het IA in de vorm van een NP geen casus kan ontvangen, dan bestaat
voor het IA nog de mogelijkheid om als PP gerealiseerd te worden
waarbij het voorzetsel dan de casus uitdeelt aan die NP.
Zo wordt via het voorzetsel van de PP ontsnapt aan het Casusfilter.
De P van een prepositioneel object heeft dezelfde functie. Dit vaste
voorzetsel wordt geselecteerd door het werkwoord zelf. Het is een soort
dummy-voorzetsel, een betekenisloos voorzetsel dat het NP-object naamval
verschaft.
Hierboven hebben we gezien dat we de traditionele functie voorzetselvoorwerp
(of 'prepositioneel object') beter als lijdend voorwerp kunnen behandelen.
Hier volstaat het type IA.
Bij argumenten EA en IA hoeven we geen verdere onderverdeling in
verschillende soorten aan te houden zoals dat wel gebeurt bij grammaticale
functies.
We abstraheren dan over de verschillende functies.
Als de labels SU/IO/DO gebruikt worden, dan duidt dat erop dat
het drie argumenten zijn die naast elkaar functioneren.
Bij het gebruik van de labels EA/IA wordt
duidelijk gemaakt dat er maar twee soorten argumenten zijn. Er wordt gesteld
dat IO en DO (allebei IA) meer met elkaar gemeen hebben dan IO/DO met
SU (dat is de enige EA).
De gemeenschappelijkheid tussen IO en DO komt tot uitdrukking in het gebruik
van IA. Deze generalisatie missen we dus bij het gebruik van grammaticale
functies.
Als het onderscheid tussen de verschillende syntactische functies geen
grond lijkt te hebben, dan is het beter om het algemenere abstracte type
EA/IA te gebruiken. De (traditioneel) gemaakte onderscheidingen in
grammaticale functies vinden zowel syntactische als semantische gronden.
We willen echter de lexicale informatie scheiden van de structurele.
De grammaticale functies zijn uiteindelijk af te leiden uit de structuur
en die willen we dus niet in het S-frame opnemen. Dit zou immers leiden tot
redundantie.
Door semantische rollen toe te kennen aan argumenten, maken we de
semantische onderscheidingen expliciet, terwijl die
onderscheidingen bij het gebruik van grammaticale functies eerder
impliciet bleven. Bovendien worden de syntactische argumenten
uniek gemaakt door toekenning van unieke thematische rollen. We
kunnen nu verwijzen naar specifieke argumenten, zodat een vaste
volgorde van argumenten in een S-frame in principe losgelaten kan
worden. Dit ondersteunt het uitgangspunt dat de structurele
positie van de argumenten niet in het S-frame moet worden
vastgelegd maar moet volgen uit algemene regels of principes (zie
paragraaf \ref{paragraaf-afleidbaarheid}). Die principes bepalen
immers de structurele configuratie. Daarbij blijft ieder argument
uniek in de syntactische structuur, doordat ieder argument
verbonden is met een unieke thetarol.
Enerzijds kunnen we het toevoegen van semantische informatie zien
als een verdere invulling van de aard van argumenten, anderzijds kunnen
we abstraheren van de gemaakte onderscheidingen door alleen
het overkoepelende type, namelijk de argumenten, in ogenschouw te nemen.
We moeten concluderen dat het gebruik van EA en IA in het S-frame zeer
aantrekkelijk is als we subcategorisatie op het eerste niveau willen
beschrijven.
Bovendien wordt de structuur van de S-frames, in termen van EA en IA,
een stuk uniformer.
In de volgende paragraaf zal ik motiveren dat deze argumenten
nader gespecificeerd moeten worden om een adequate beschrijving van
subcategorisatie te kunnen geven.
Vervolg: Categorieselectie