Hulpwerkwoorden zijn díe werkwoorden die niet zelfstandig
kunnen voorkomen in een zin. Ze hebben dus altijd minimaal een zelfstandig
werkwoord nodig.
| | de mensen dansen
|
| * | de mensen zullen
|
| | de mensen zullen dansen
|
| * | de mensen hebben
|
| | de mensen hebben gedanst
|
Bij hulpwerkwoorden lijkt er geen sprake te zijn van subcategorisatie
in termen van syntactische argumenten.
Hulpwerkwoorden nemen geen interne argumenten waaraan ze
theta-rollen uit te delen. Evenmin leggen ze eisen op aan het externe
argument. Dat de hulpwerkwoorden niet subcategoriseren voor argumenten
zal hieronder onderbouwd worden.
Allereerst is aan de hand van minimale paren aan te tonen dat
hulpwerkwoorden geen subcategorisatie-eisen opleggen aan de argumenten.
Hiervoor zullen twee groepen werkwoorden gebruikt worden:
werkwoorden die geen theta-rol toekennen aan het subject,
en werkwoorden die wel een theta-rol eraan toekennen.
In de zinnen zullen telkens de volgende twee typen werkwoorden terugkeren:
| a. | regenen/gebeuren: | EA[theta] | (een expletief pronomen het/er)
|
| b. | dansen/vertrekken: | EA[+theta] | (een referentieel pronomen hij)
|
Als we deze werkwoorden met respectievelijk een
expletief of niet-referentieel (theta) en een
referentieel (+theta) subject combineren,
krijgen we het volgende patroon in grammaticaliteit:
| | het/*hij regent (het/*hij gebeurt)
|
| | *het/hij danst (*het/hij vertrekt)
|
Als we deze zinnen combineren met een hulpwerkwoord, dan zien we
eveneens hetzelfde patroon naar voren komen.
| | het/*hij zal regenen
|
| | *het/hij zal dansen
|
| | het/*hij heeft geregend
|
| | *het/hij heeft gedanst
|
| | het/*hij is gebeurd
|
| | *het/hij is vertrokken
|
| | het/*hij blijft/gaat regenen
|
| | *het/hij blijft/gaat dansen
|
| | het/*hij is aan het regenen
|
| | *het/hij is aan het dansen
|
| | ?het/*hij staat/zit/ligt te regenen
|
| | *het/hij staat/zit/ligt te dansen
|
De subcategorisatie-eisen en de thematische rolverdeling gebeurt
vanuit het zelfstandige werkwoord.
Hulpwerkwoorden hebben hier verder geen invloed op, zoals de volgende
voorbeelden nog beter laten zien:
| | hij eet (een boterham)
|
| | hij zal (een boterham) eten
|
| | hij heeft (een boterham) gegeten
|
| | hij geeft (haar) een boek
|
| | hij zal (haar) een boek geven
|
| | hij heeft (haar) een boek gegeven
|
We moeten vaststellen dat hulpwerkwoorden geen invloed hebben op de
specifieke subcategorisatie van het zelfstandige werkwoord. In de gebruikte
minimale paren blijkt dat de hulpwerkwoorden zelf geen theta-rol uitdelen
aan de argumenten.
De andere aanwijzing hiervoor is afkomstig van de dummy-formule.
In zo'n schema worden de plaatsen van de argumenten ingenomen door
IETS of IEMAND. De dummy-formule van geven is
bijvoorbeeld: [IEMAND IETS geven].
De dummy-formule is echter niet toe te passen op hulpwerkwoorden.
Het complement van een hulpwerkwoord komt dus niet naar voren komen als
IETS/IEMAND.
Bij hulpwerkwoorden is alleen de aanvulling IETS GEBEUREN
mogelijk.
Als een hulpwerkwoord geen theta-rol aan het subject uitdeelt, is er
sprake van een loos subject er:
| | er zal iets gebeuren/plaatsvinden (hww van toekomende tijd)
|
| | er is iets gebeurd (hww van voltooide tijd)
|
| | er heeft iets plaatsgevonden (hww van voltooide tijd)
|
| | er blijft/gaat iets gebeuren/plaatsvinden (hww van aspect)
|
| | er staat/?zit/?ligt iets te gebeuren (hww van aspect)
|
Deze aanvulling laat zien dat het hulpwerkwoord gecombineerd wordt met
een complement dat de gebeurtenis, toestand of handeling, uitdrukt.
De theta-rollen, de participanten van de handeling of toestand,
komen van het zelfstandige werkwoord.
Op basis hiervan kunnen we vaststellen dat het hulpwerkwoord zelf
geen interne argumenten neemt.
Hier is dus geen sprake van subcategorisatie.
In het S-frame van een hulpwerkwoord van tijd wordt aan het
externe argument geen theta-rol uitgedeeld door het betreffende
hulpwerkwoord: EA[theta]. Dit hoeft echter niet te
gelden voor alle hulpwerkwoorden van aspect. Zo is het schema van
er ... iets te gebeuren niet toe te passen bij de
werkwoorden komen en hangen/lopen. Het ziet ernaar
uit dat deze werkwoorden een eigen rol uitdelen aan het externe
argument.
| | hij komt kijken hij [komt en kijkt]
|
| | hij loopt te denken hij [loopt en denkt]
|
| | de vlag hangt te wapperen de vlag [hangt en wappert]
|
| | hij gaat dansen ? hij [gaat en danst]
|
| | hij zit/staat/ligt te werken ? hij [zit/staat/ligt en werkt]
|
Bij werkwoorden zitten, staan, liggen, hangen, lopen waarvan het
subject een persoon aanduidt of bezield is, vervaagt de inherente betekenis
van positie die de zelfstandige werkwoorden oorspronkelijk hadden.
Alleen het duratieve aspect is behouden gebleven:
iets duurt voort, iets is de hele tijd gaande, iemand is bezig (met).
Of het externe argument bij al deze werkwoorden van aspect
wel of geen theta-rol heeft (+/theta) wil ik hieronder nagaan
met behulp van een onpersoonlijk werkwoord dat een dummy-NP [theta]
op de EA-positie heeft, zoals het weer-werkwoord regenen
in het regent.
| | het blijft/gaat regenen > EA[theta]
|
| * | het komt regenen > EA[+theta]
|
| ?? | het ligt te regenen > EA[?theta]
|
| ?? | het zit te regenen > EA[?theta]
|
| ? | het staat te regenen > EA[?theta]
|
| * | het hangt/loopt te regenen > EA[+theta]
|
De hulpwerkwoorden blijven en gaan delen geen theta-rol
uit aan het externe argument.
De EA-positie in het S-frame van deze werkwoorden blijft dan ook thetaloos.
Het is problematischer bij de positiewerkwoorden liggen, zitten en
staan.
De grammaticaliteit varieert bij deze drie werkwoorden afzonderlijk.
Een duratief-interpretatie is echter veelal mogelijk bij een van deze
positiewerkwoorden.
We zien dat ongrammaticaliteit ontstaat bij de werkwoorden
komen, hangen en lopen.
Een thetaloze EA-positie is hier niet mogelijk.
Deze werkwoorden delen dus een thematische rol uit aan het externe argument.
Toch zouden we ook deze werkwoorden als hulpwerkwoorden kunnen beschouwen.
Ze nemen dan, evenals andere hulpwerkwoorden, geen interne argumenten
maar kiezen voor een verbaal complement (VPRED).
Een apart geval is hulpwerkwoord van passief worden. Het
oorspronkelijke S-frame bij een zelfstandig werkwoord wordt door het
toevoegen van een passief hulpwerkwoord herordend.
Dit hulpwerkwoord legt dus zelf geen nieuwe eisen op aan de argumenten.
In paragraaf \ref{paragraaf-passief} kom ik terug op de passiefvariant,
die structureel is af te leiden met algemene regels of principes.
Bij hulpwerkwoorden is dus geen sprake van
subcategorisatie in termen van argumenten.
Om toch de verbale verwachting van hulpwerkwoorden weer te geven in S-frames,
is de metacategorie VPRED geïntroduceerd.
Deze metacategorie geeft aan dat het hulpwerkwoord een verbaal complement
neemt zonder dat er een theta-rol aan toegekend wordt door het
hulpwerkwoord.
Het onderscheid tussen hulpwerkwoorden en zelfstandige werkwoorden is in
de S-frames te zien aan het wel of niet voorkomen van VPRED.
Het hulpwerkwoord verwacht steeds een bepaalde werkwoordsvorm.
Dit verbale complement kan een deelwoord of een infinitiefconstructie
met of zonder te zijn.
Er is dus voor hulpwerkwoorden een keuze uit een VP- of IP-complement.
Als we dit verwezenlijken bij de hulpwerkwoorden in het lexicon, dan
krijgen we het volgende S-frame:
| EA[NP:theta] | VPRED[IP/VP]
|
We moeten concluderen dat hulpwerkwoorden steeds een verbale categorie
nemen.
Ze subcategoriseren niet voor argumenten zoals dat bij zelfstandige
werkwoorden het geval is.