Koppelwerkwoorden
In deze paragraaf zal de hoofdvraag beantwoord worden of er
bij koppelwerkwoorden zoals zijn, blijven en worden,
sprake is subcategorisatie.
Over wat nu precies de status is van het koppelwerkwoord en het
naamwoordelijk gezegde lopen de meningen sterk uiteen
[Schermer-Vermeer 1993, Coppen 1993 LM-v].
Dit levert dan ook min of meer verschillende analyses op.
Hieronder zal ik drie analyses bespreken in samenhang met de mogelijke
subcategorisatie van het koppelwerkwoord.
Traditioneel wordt het koppelwerkwoord beschouwd als een werkwoord dat het
subject koppelt aan een ander deel: het naamwoordelijke deel van het
naamwoordelijk gezegde.
Er ontstaat een eigenschapsrelatie (X heeft eigenschap Y)
of een identiteitsrelatie (X is gelijk aan Y),
bij respectievelijk een specificerend en identificerend koppelwerkwoord.
In de verkregen sequentie
subject koppelwerkwoord naamwoordelijk deel wordt
het naamwoordelijke deel ook wel subjectcomplement genoemd.
Dit deel heeft direct betrekking op het subject. Het is een soort aanvulling
op het subject. Het koppelwerkwoord staat er dan om syntactische redenen,
namelijk om de twee delen te koppelen (Analyse I).
Het is dan de vraag of het naamwoordelijke deel in deze analyse direct
door het koppelwerkwoord wordt geselecteerd.
Een andere benadering is om het subject met het naamwoordelijk gezegde of subjectcomplement als een XP te zien (vgl. Small Clause)(Analyse II). Het subject is in deze analyse de specifier van de XP en het subjectcomplement (X') is het hoofd met eventueel een complement. De subject-NP moet casus ontvangen. Het Casusfilter (\ref{casusfilter}) werkt immers op syntactische structuren. Echter, het koppelwerkwoord deelt geen externe rol uit en kan om die reden volgend uit de Burzio-generalisatie (\ref{burzio-generalisatie}) geen casus toekennen aan de NP in de AP (intern argument), de NP verhuist via NP-verplaatsing om die reden naar de subject-positie van de zin waar het van [+tense] de nominatiefnaamval ontvangt.
Een derde mogelijkheid is om zijn later in te voegen als dummy-werkwoord: zijn-insertie. Deze derde analyse is onder andere te vinden in [Fillmore 1968]. Daar wordt het naamwoordelijk deel, bijvoorbeeld een Adjectief (+Adj), aanvankelijk als het predikaat V, een V-kern gemarkeerd als bijvoorbeeld +Adj, beschouwd dat het subject als argument neemt. Nadat het koppelwerkwoord is geïnserteerd, verandert de V-kern in de gemarkeerde categorie: V [+Adj] zou dus een 'Adj' worden\footnote{Insertie van zijn kan ook plaatsvinden bij Locatief en Object-S waar de V-positie leeg is ([+0]).}. Het is lastig om een subcategorisatieframe op te stellen voor een koppelwerkwoord zoals zijn. Het werkwoord heeft semantisch geen inhoud: het deelt geen thematische of semantische rollen uit. Het dient meer als [+tense]-opvuller. Aan dit werkwoord is dan te zien welke tempus (= werkwoordstijd) geldt, bijvoorbeeld de tegenwoordige of verleden tijd. Het werkwoord zijn is dan een geïnserteerd dummy-werkwoord (Analyse III). Het Russisch laat het koppelwerkwoord zijn in de tegenwoordige tijd (onder bepaalde omstandigheden) zelfs gewoon weg.
Het probleem met copula is dat men zich kan afvragen of er überhaupt wel iets gesubcategoriseerd wordt. Immers, "echte" subcategorisatie vraagt om een zekere categorie (NP, PP, etc.) en specificeert deze vaak ook nog eens (meervoudige NP, prepositieselectie, etc.). De copula doen dit echter niet. Ze kunnen allerlei categorieën bij zich hebben, op voorwaarde dat die zelfstandig predikatief gebruikt kunnen worden. Zo kan bij het identificerende zijn letterlijk iedere categorie op de predikaatspositie staan:
| Dirk is [NP de dader] | |
| wat ik daar zie, is [AP erg blauw] | |
| waar ik het liefste zit is [PP op het water] | |
| mijn grote angst is [CP dat het gaat regenen] | |
| de vraag is, [CP of we het droog houden] | |
| wat we graag willen is [VP jou dat cadeau aanbieden] |
De betreffende categorieën kunnen ook als vrije predikatieve toevoeging voorkomen. Copulaconstructies en Bepalingen van Gesteldheid zijn goed met elkaar te vergelijken. Bij het specificerende zijn is bijvoorbeeld alles toegestaan wat ook als Bepaling van Gesteldheid kan fungeren:
| Jan is [AP ziek] Jan kwam [ziek] binnen | |
| Jan is [NP arts] Jan woonde [als arts] op kamers | |
| Jan is [PP in de wolken] Jan kwam [in de wolken] binnen |
In geval van AP en PP kan waarschijnlijk wel worden volgehouden dat het subject gebonden is aan een interne positie en vervolgens geraised naar de subjectpositie van de hele zin, zoals in Analyse II van de copulaconstructie. Als dat echter wordt gedaan om te verklaren waarom bijvoorbeeld de PP niet aan PP-over-V mee mag doen, dan wordt een generalisatie gemist: dat kan namelijk ook al niet bij identificerende koppelwerkwoorden.
Er zit iets aantrekkelijks in de gedachte om koppelwerkwoorden te beschouwen als opvullers of TENSE-dragers, zoals in Analyse III. Allereerst is een koppelwerkwoord als zijn semantisch behoorlijk leeg. Het dient eerder als tense-drager. Verder kiest het koppelwerkwoord zijn niet voor specifieke categorieën. Het legt geen syntactische eisen op aan de structuur, zoals meervoudige NP of prepositieselectie. Bovendien kan dit zijn in bepaalde gevallen zelfs goed weggelaten worden [Pollman 1984], zoals te zien is in de volgende voorbeelden:
| Jan de dader? Kom nou! | |
| Jan ziek een ramp? Nou nee, niet echt. |
In \hetvb is sprake van dezelfde predikatieve verhoudingen maar er zijn geen koppelwerkwoorden gebruikt. Ook in andere predikatieve constructies ontbreekt het koppelwerkwoord. Het is zelfs zo dat in veel talen het koppelwerkwoord zijn ontbreekt. De conclusie is gerechtvaardigd dat de predikatieve (of: thematische) verhoudingen tussen subject en naamwoordelijk gezegde onafhankelijk zijn van het koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord ontbreekt zelfs in constructies met dezelfde verhoudingen. De derde analyse voor copula blijkt dus het best de feiten te ondersteunen.
We kunnen ons afvragen of er dan wel een reden is om subcategorisatie aan te nemen bij koppelwerkwoorden. Als we ervan uit zouden gaan dat er wel sprake was van subcategorisatie, dan zouden we ook een soort thematische rolverdeling verwachten. Het koppelwerkwoord zijn deelt echter geen thematische rollen uit. Dit is eveneens goed te zien in copula-constructie met een semantisch leeg subject:
| het is warm/koud/donker/stil buiten |
In \hetvb wordt aangetoond dat het subject van een koppelwerkwoord-constructie geen theta-gemarkeerde positie is. Ook hier deelt het koppelwerkwoord zelf geen theta-rollen uit. De theta-rol moet dus hier van iets anders komen. Bij specificerende constructies is het naamwoordelijke deel Predikaat en het subject krijgt dan ook zijn theta-rol van dit Predikaat. De zaak ligt iets ingewikkelder bij identificerende constructies. Daar ontvangt het subject zijn theta-rol niet van het naamwoordelijk deel, maar op de een of andere manier van de constructie (structurele theta).
Vergelijk ook de volgende zin:
| als voorzitter kan ik de discussie afkappen |
De zin in \hetvb is te parafraseren met omdat ik voorzitter ben, kan ik de discussie afkappen. Het persoonlijk voornaamwoord ik krijgt zijn theta-rol van afkappen. Het deel de voorzitter is hier echter een identificerend predikaat, waarvoor we een PRO in de als-constructie moeten aannemen. Deze PRO krijgt zijn theta-rol niet van de voorzitter, maar van de constructie met als.
We moeten concluderen dat copulaconstructies een groot probleem vormen voor alle taalkundige theorieën. Echter, de problemen lijken niet op het vlak van de subcategorisatie te liggen: de selectie van categorieën in predikaatspositie lijkt niets te maken te hebben met de koppelwerkwoorden maar juist met het feit dat ze predikaat zijn. Dezelfde problemen spelen in andere predikaatsposities.
Om een praktische oplossing voor de invulling van het S-frame bij copula te geven, zouden we de categorieën kunnen aangeven die naast een koppelwerkwoord kunnen voorkomen. Ongeveer alle categorieën moeten dan echter opgesomd moeten worden. Hier zouden we dan een generalisatie missen. Er is daarom gekozen voor een andere oplossing. Hierin wordt een aparte meta-categorie PRED geïntroduceerd. (Deze PRED-categorie is ook nog elders te gebruiken zoals voor Bepalingen van Gesteldheid die verplicht door een werkwoord gesubcategoriseerd worden.) Met een feature [+substantive] bij deze meta-categorie PRED geven we aan dat alleen zelfstandige predikatieve categorieën toegestaan zijn. Ergens anders in de beschrijving wordt die PRED[+substantive] herschreven als een willekeurige andere zelfstandige categorie (AP, NP, PP, VP, etc).
In wezen selecteert het koppelwerkwoord in deze benadering voor een predikaatsconstructie (PRED). Het S-frame van de koppelwerkwoorden zijn, worden, blijven ziet er dan als volgt uit:
EA[NP:+OBJi] | IA[ti] PRED[XP(+subst):+ATT]
|
In dit S-frame is te zien dat er een binding bestaat tussen het subject en het attributieve predikaat. Een koppelwerkwoord selecteert niet voor andere specifieke interne argumenten. Op de predikaatspositie kunnen allerlei categorieën staan. Er is dus geen sprake van categorieselectie door een koppelwerkwoord. Verder kunnen koppelwerkwoorden ook geen andere restricties opleggen, zoals prepositieselectie, reflexivisatie en de pluraliteitseis voor interne argumenten. Het koppelwerkwoord is eerder een tense-drager.
De andere werkwoorden die ook traditioneel "koppelwerkwoorden" of copula worden genoemd zijn: schijnen, blijken, lijken, heten, dunken, voor+komen zorgen er eveneens voor dat de zin TENSE draagt. We zullen in paragraaf \ref{paragraaf-modale-ww} zien dat we deze werkwoorden beter kunnen beschouwen als modale werkwoorden.
|
|