Er zijn criteria nodig om te bepalen of er sprake is van een complement of
een adjunct.
Het volgende voorbeeld laat ziet dat een PP in dit opzicht ambigu kan zijn.
Twee lezingen zijn hier mogelijk: de PP als adjunct of de PP als complement.
- Jan wacht, terwijl hij zich bevindt (boven)op de trein;
- Jan wacht op de aankomst van de trein: hij verwacht de trein.
Deze twee verschillende lezingen zijn duidelijker in de volgende
voorbeelden:
| | hij wacht in de wachtkamer (Adjunct)
|
| | hij wacht daar (Adjunct)
|
| | hij wacht op Paul die er nog niet is (Complement)
|
| | hij wacht op het volgende mailbericht (Complement)
|
Als eerste criterium voor adjuncten zouden we weglaatbaarheid kunnen
gebruiken. Veel adjuncten zijn immers weglaatbaar met behoud van de
semantische bijdrage van de zin. Complementen zijn in veel
gevallen niet zomaar weg te laten zonder dat de betekenis van de zin
gewijzigd wordt. Weglaatbaarheid als criterium voor adjunct/complement is
echter problematisch. Er zijn immers werkwoorden die een optioneel
complement nemen. Zo is het prepositionele complement van het
werkwoord wachten weglaatbaar.
Later zullen we zien dat er ook bepaalde "adjuncten" bij werkwoorden zijn
die niet weggelaten kunnen/mogen worden. Deze verplichte bepalingen kunnen
we geselecteerde "adjuncten" noemen.
Het weglaten van deze geselecteerde adjuncten\footnote{Deze
verplichte bepalingen worden in de volgende subparagraaf verder besproken.}
levert ongrammaticaliteit op.
We moeten dus andere criteria hanteren om te beslissen of een
categorie tot een adjunct of een complement behoort.
We zouden ook naar de set van mogelijke categorieën kunnen kijken als
realisaties van complementen en adjuncten
Een complement kan bijna iedere categorie aannemen, zoals
NP, PP (P+NP), VP, IP, CP.
Een adjunct is alleen in de vorm van een PP, AdvP of CP [+adverbiaal],
eventueel een NP met een markering van duratief.
PP's kunnen zowel onder complementen als onder adjuncten vallen.
Hiervoor zijn dus duidelijke criteria nodig om het onderscheid
tussen complement en adjunct te kunnen maken.
De vraag is wat we een complement noemen. Een eerste globale indicatie
hiervoor kan gegeven worden met de dummy-formule: een beknopte
weergave in de vorm van argumenten gerealiseerd als iemand/iets
bij het werkwoord.
Een complement is dan het [(Pdummy) iemand/iets]-deel
van de dummy-formule:
| | [IETS] eten
|
| | [IETS/IEMAND] verwachten
|
| | [aan IETS/IEMAND] denken
|
| | [IEMAND] [IETS] geven
|
| | [IEMAND] [van IETS] beschuldigen
|
| | [op IETS/IEMAND] wachten (alleen complementlezing)
|
| | [ERGENS OP] wachten (ambigu: adjunct- en complementlezing)
|
| | [ERGENS] wachten (alleen adjunctlezing)
|
Het deel [P+NP] bij de werkwoorden denken, beschuldigen, wachten is
dus complement, omdat deze in de formule als een [P + IETS/IEMAND]
kan optreden, waarbij het voorzetsel betekenisloos is (een dummy-P).
Dit dummy-voorzetsel staat er meer om syntactische redenen.
Als het voorzetsel van de PP te vervangen is door een ander voorzetsel
waarbij de betekenis van de gehele PP verandert, dan is deze PP eerder
een adjunct. Het voorzetsel heeft hier semantische inhoud (aanduiding van
van plaats, richting, tijd, middel, oorzaak, enz.).
Deze adjunct-PP kan zelfstandig in de zin staat, min of meer onafhankelijk
van het werkwoord.
Het voorzetsel van een PP-complement heeft echter geen semantische inhoud,
het is een soort dummy-voorzetsel. Het vormt een vaste combinatie met het
werkwoord. Het voorzetsel wordt geselecteerd door het werkwoord.
Het voorzetsel van deze PP kan, met behoud van de complementlezing,
om die reden niet vervangen worden door een willekeurig ander voorzetsel
zonder dat dit ongrammaticaliteit of een andere betekenis oplevert.
Een ander criterium is de en X doet dat...-test
[Bennis & Hoekstra 1989, p. 50-51].
Bij deze test wordt een nevenschikking gevormd door
en X doet dat... aan de zin toe te voegen waarbij
het werkwoord van het eerste conjunct wordt herhaald
door het neutrale dummy-actiewerkwoord doen in het tweede conjunct.
Het anafoor dat bij dit dummy-werkwoord neemt automatisch de
complementen mee van het eerste conjunct.
In het tweede conjunct kunnen deze complementen dan niet herhaald
worden als doet dat er al staat. Als een complement toch in dit
sjabloon van [en X doet dat...] toegevoegd wordt, ontstaat
ongrammaticaliteit. Dit ligt anders bij adjuncten. Als in het eerste
conjunct adjuncten voorkomen, dan mogen in het tweede conjunct wel
nieuwe adjuncten worden toegevoegd. Dit geeft al aan dat adjuncten
niet afhankelijk zijn van het werkwoord. Het zijn autonome constituenten
die vrijelijk toegevoegd kunnen worden.
De toevoegbaarheid van een constituent in het tweede conjunct kunnen we
dus gebruiken als criterium of we met een adjunct of een complement te
maken hebben.
| | Jan leest in de woonkamer een boek en Piet doet dat [in het park]
|
| * | Jan leest een boek en Piet doet dat [een krant]
|
| * | Jan geeft Marie een boek en Piet doet dat [een krant]
|
| * | Jan geeft Marie een boek en Piet doet dat [Truus]
|
| * | Jan wacht op de krant en Paul doet dat [op het tijdschrift]
|
Deze en doet dat-test biedt echter niet altijd een uitkomst bij PP's.
Vaak zal het onderscheid tussen adjunct en complement eerder gebaseerd zijn
op intuïtieve gronden. We gaan dan na of de interpretatie van de PP
autonoom is of juist afhankelijk van het werkwoord waarmee die PP verbonden
is [Bennis & Hoekstra 1989].
Voor bepaalde werkwoorden kunnen we specifieke criteria opstellen.
Er zijn namelijk werkwoorden die zowel een infinitiefzin
als een PP (of beter: P+NP) kunnen nemen.
Het voorkomen van een infinitiefzin bij een werkwoord duidt in deze gevallen
erop dat we met een complement te maken hebben.
Als een PP te vervangen is door een infinitiefzin, dan wordt het
vermoeden versterkt dat de PP een complement.
| | zij begint/helpt [met het inpakken van de koffers]
|
| | zij begint/helpt [de koffers in te pakken]
|
| | zij maant hem aan [tot actie]
|
| | zij maant hem aan [actie te ondernemen]
|
Bij de werkwoorden als beginnen/helpen (met), aanmanen (tot)
is de PP is te vervangen door een te-infinitiefzin. Deze PP's moeten
we bij deze werkwoorden dan beschouwen als complementen.
Dit wordt bevestigd door de dummy-formule:
| [IEMAND] [tot IETS] aanmanen
|
| [met IETS] beginnen/helpen
|
Een ander specifiek criterium is de mogelijkheid een werkwoord
te vervangen door een werkwoord dat semantisch min of meer gelijk
is, waarbij het voorzetsel in de vorm van een partikel of een voorvoegsel
in het werkwoord geïncorporeerd is.
Het verwante samengestelde werkwoord selecteert in plaats van een PP nu
echter een gewone NP. Deze NP kan alleen een complement van het werkwoord
zijn
\footnote{Een NP als adjunct komt zelden voor. En áls zo'n NP voorkomt in
een zin, dan gelden er strikte syntactische beperkingen voor zo'n NP.}.
De PP bij het oorspronkelijke werkwoord zou dan ook een complement bij
het werkwoord moeten zijn. Dit wordt ondersteund door de dummy-formule.
| | schreeuwen [tegen IEMAND] [IEMAND] toeschreeuwen
|
| | spelen [met/tegen IETS] [IETS bespelen]
|
| | luisteren/kijken [naar IETS] [IETS] beluisteren/bekijken
|
| | streven [naar IETS] [IETS] nastreven
|
| | vluchten [voor IETS] [IETS] ontvluchten
|
| | spreken/praten/twisten [over IETS] [IETS] bespreken/bepraten/betwisten
|
Deze test is alleen toe te passen op een beperkte groep werkwoorden.
Bij een bepaald werkwoord dat optreedt samen met een PP, is niet altijd
een verwant samengesteld werkwoord voorhanden.
De test kan dus niet algemeen gebruikt worden om na te gaan of de PP
een complement of een adjunct is.
Van den Toorn komt wel met een algemene test: de mogelijkheid van een
gekloofde zin [Van den Toorn 1971].
Om deze test uit te voeren moet de zin met een vermoedelijk
voorzetselvoorwerp of complement (P+NP) als volgt gekloofd worden:
gekloofde zin: [wie/waar+P ..., is NP]
of: [het is NP[+klem], wie/waar+P ...].
|
Als de zin na het kloven grammaticaal blijft, dan is de PP (of beter: P+NP)
een complement. Anders is de PP een adjunct.
| | op wie hij wacht, is [zijn vader] = het is zijn váder, op wie hij wacht
|
| | waarop hij wacht, is [de trein] = het is de tréin, waarop hij wacht
|
| * | waarop hij wacht, is [het perron]:+LOC
|
| * | waarop hij stond, was [de houten vloer]:+LOC
|
Deze test is echter in bepaalde gevallen lastig en berust vooral op
intuïties. Zo is de interpretatie van de gekloofde zin niet altijd
even duidelijk. De toepassing van deze test blijft dus moeilijk.
Op basis van alle genoemde criteria kunnen we een onderscheid maken tussen
complementen en adjuncten. Het verschil van complementen en
adjuncten is zichtbaar te maken in de dieptestructuur: complementen staan
onder V' [Compl*,V'] en worden gesubcategoriseerd (en geregeerd)
door het werkwoord, terwijl adjuncten vrijelijk geadjungeerd kunnen worden
aan VP of IP.
In de boomstructuur kunnen we dit verschil tussen adjunct en complement
van een PP dus weergeven door de verschillende plaatsen van PP-aanhechting
[Chomsky 1965]: adjuncten worden gegenereerd als adjunctie op het
VP-niveau [PP,VP] of IP-niveau [PP,IP], terwijl complementen gegenereerd
worden op het V'-niveau [PP,V'], het subcategorisatiedomein
van V. In de volgende boomstructuur is dit verschil in aanhechting goed
te zien: