Er zijn werkwoorden die een bijzin nemen ingeleid door een voegwoord.
De vraag in deze paragraaf is of dit voegwoord wel of niet door het
werkwoord wordt geselecteerd. Het zou kunnen zijn dat het voegwoord
af te leiden is uit andere informatie. Als dat het geval is, dan kan
de selectie van het voegwoord in het S-frame achterwege blijven. Het
betreffende voegwoord kan immers afgeleid worden en hoeft dus niet
gestipuleerd te worden in het lexicon.
Allereerst zijn er werkwoorden die voor een finiete bijzin kunnen
subcategoriseren. De finiete bijzinnen worden meestal ingeleid door
een finiet voegwoord zoals de onderschikkende voegwoorden dat en
of. Het is ook mogelijk dat werkwoorden een bijzin selecteren
die ingeleid wordt door een wh-element. Deze werkwoorden zouden
dan wh-complementen selecteren.
Laten we eens kijken naar een aantal werkwoorden die een bijzin kunnen
nemen:
| WERKWOORD | CP(dat) | WH | CP(of) | NP
|
| | | | |
|
| begrijpen | + | + | | +
|
| vragen | | + | + | +
|
| zich afvragen | | + | + |
|
| weten | + | + | + | +
|
| denken | + | | |
|
Bij de combinaties [+WH] en [+NP] zouden we nog na moeten gaan of de
WH-complementen geen WH-bijzin zijn waarbij het WH-element (wie/wat) een
ingesloten antecedent is. Zo'n betrekkelijke bijzin met ingesloten
antecedent kan op iedere NP-positie staan.
Een voorbeeld hiervan is het werkwoord begrijpen.
Dat we hier te maken hebben met een bijzin met ingesloten antecedent, is
te achterhalen door de bijzin met het wh-element in te leiden met
dat(gene).
Hier geldt een koppeling tussen dat(gene) en het wh-element
(correlatie).
Dit is niet goed mogelijk bij de andere werkwoorden.
| | ik begrijp dat(gene), wat je zegt/bedoelt
|
| ? | ik vraag dat(gene), wat je zegt/bedoelt
|
| ? | ik weet dat(gene), wat je zegt/bedoelt
|
Een andere aanwijzing hiervoor is dat bij begrijpen geen
CP(of) mogelijk is.
Hier blijkt een generalisatie te zijn tussen CP(+wh) en CP(of):
als een werkwoord een of-complement selecteert, dan kan het ook een
+WH-complement selecteren.
Vergelijkbaar zijn misschien de gevallen van CP(dat)-complementen:
er kan ook gekozen worden voor een sententieel anafoor (zoals dat)
of voor een soort abstracte NP.
Het werkwoord weten laat allerlei complementen toe, terwijl een
werkwoord als kennen alleen een NP-complement kan nemen.
| | hij weet dat het mogelijk is
|
| | hij weet wat het antwoord is van die som
|
| | hij weet het antwoord[+abstr]
|
| | hij weet die som [?abstr]
|
| * | hij kent dat het mogelijk is
|
| * | hij kent wat het antwoord is van die som
|
| | hij kent het antwoord
|
| | hij kent die som
|
Hier lijkt sprake van een ambiguïteit van factief/resulaat-versus-object.
Hij weet die som is alleen te begrijpen als hij de uitkomst
weet: "hij weet het antwoord van die som".
Bij hij kent die som is het zelfs nog mogelijk dat de uitkomst hem
onbekend is, alleen de som zelf kent hij.
Ik wil hieronder gaan onderzoeken of factiviteit invloed heeft op
de voegwoordselectie. Oorspronkelijk is factiviteit een semantisch kenmerk
bij werkwoorden/predikaten.
Hoort bij een factief werkwoord een dat-complement?
De dat-zin drukt dan het feit uit. Zouden we dit mogen omdraaien?
Is iedere dat-zin als complement bij een werkwoord een teken van
factiviteit?
Laat ik hiervoor drie werkwoorden bekijken:
| | ik zeg [dat de aarde plat is]
|
| | ik denk [dat de aarde plat/rond is]
|
| | ik weet [dat de aarde rond is]
|
Een proef voor het vaststellen van factiviteit is de
... maar dat is niet zo-toevoeging. De dat-zin bij
het predikaat WETEN is inherent factief. De inhoud van de propositie van de
dat-zin wordt altijd als waar verondersteld: het is een feit (= een
ware propositie).
Als ... maar dat is niet zo wordt toegevoegd, dan komt dat neer
op een tegenspraak, hetgeen onwelgevormdheid oplevert.
| | ik denk dat de aarde plat is, maar dat is niet zo
|
| * | ik weet dat de aarde rond is, maar dat is niet zo
|
De waarheidswaarde van een factief complement wordt voorondersteld,
de waarheidswaarde van een opaque complement wordt in het midden
gelaten
\footnote{Een probleem is of ik weet dat de aarde plat is wel onwaar is.
Er zijn ook logici die zeggen dat door een onware implicatie de
waarheidswaarde van deze zin ongedefinieerd is.}.
Hoe kunnen we laten zien of we te maken met een factief predikaat?
We hebben gezien dat een feit uitgedrukt kan worden met een dat-zin
(of: dat-complement). Tegelijkertijd zagen we dat niet iedere dat-zin een
feit is. Een vereiste is dat het dat-complement geselecteerd wordt door een
factief predikaat: alleen dan kan de dat-bijzin factief zijn.
Een andere gelijksoortige test om te achterhalen of een dat-zin factief is
of niet, zou de ik [Pred] niet (dat)...-test kunnen zijn.
Een factieve dat-zin is niet combineerbaar/verenigbaar in contexten waarin
de spreker onwetend is. Dit levert onwelgevormdheid op.
| | ik zeg niet [dat de aarde rond is]
|
| | ik denk niet [dat de aarde plat/rond is]
|
| ?* | ik weet niet [dat de aarde rond is]
|
Het laatste voorbeeld is onwelgevormd omdat door een factief predikaat
zoals WETEN te gebruiken, de spreker impliceert dat hij/zij weet dat de
propositie die uitgedrukt wordt door het complement, waar is.
Je weet hier iets niet (ik weet niet) wat je dus wel weet (dat-zin).
Dit spreekt elkaar tegen.
Een voorwaarde is dat werkwoord wel in de tegenwoordige tijd staat.
Met een benadrukte negatie zoals helemáál niet hoeft deze test
bij factieve predikaten geen onwelgevormdheid op te leveren. Hier wordt het
feit niet ontkend, maar het niet weten (van dat feit) wordt
benadrukt: iemand is/was bijvoorbeeld niet op de hoogte van dat feit.
| | ik wist niet dat de aarde rond was.
|
| | ik weet helemáál niet dat de aarde rond is!
|
Het werkwoord vertellen kan zowel een dat-bijzin als een
bijzin ingeleid door een WH-element nemen.
Bij dit werkwoord vertellen zien we een semantisch verschil
of het complement wel of geen feit is zijn.
Factiviteit lijkt dan mede afhankelijk te zijn van het type complement.
| | Jan vertelde mij [dat Marie weggegaan is],
maar het bleek dat hij het verkeerd had
|
| ?* | Jan vertelde mij [waar Marie naartoe gegaan was],
maar het bleek dat hij het verkeerd had
|
Vertellen is niet-factief in combinatie met een dat-complement: de
propositie uitgedrukt door het complement, hoeft niet waar te zijn.
In combinatie met een WH-complement moet dat wat de persoon zei, waar zijn:
Marie ging dus feitelijk daarnaartoe waar Jan zei dat zij naartoe ging.
In het laatste voorbeeld wordt deze conditie geschonden en deze zin
is daarom onwelgevormd.
Hieruit kunnen we concluderen dat een factief complement niet altijd de
vorm van een dat-zin aanneemt. Het kan ook een WH-complement zijn.
Het is niet alleen op syntactische gronden te bepalen of we met factiviteit
te maken hebben. Hiervoor blijken semantische criteria nodig te zijn.
Laten we de SUBCAT- en SEM-frames van de werkwoorden
zeggen, denken, weten, vertellen, begrijpen, vragen, zich afvragen,
erachter komen eens proberen op te stellen:
| WERKWOORD | SUBCAT-frame | SEM-frame
|
| denken | [ IA(dat) ] | { +P }
|
| zeggen | [ IA(dat/+WH/NP) ] | { +P }
|
| weten | [ IA(dat/+WH/NP) ] | { +F }
|
| begrijpen | [ IA(dat/+WH/NP) ] | { +P }
|
| vertellen | [ IA(dat/+WH/NP) ] | { +P, +F }
|
| vragen | [ IA(of/+WH/NP) ] | { +Q }
|
| zich afvragen | [ IA(of/+WH) ] | { +Q }
|
| erachter komen | [ IA(of/+WH/dat) ] | { +Q, +P, +F }
|
Features voor semantische selectie:
| +P (proposition): | bewering, stelling, gezegde, gedachte, etc.
|
| +F (fact): | feit
|
| +Q (question): | vraag
|
Er zullen meer semantische features nodig zijn om zinnen volledig te laten
voldoen aan de semantische welgevormdheid.
Om terug te keren naar de hoofdvraag van deze subparagraaf:
hoe zit het met de voegwoordselectie (dat/of)?
Er zijn twee voorstellen:
Voorstel 1:
- werkwoord selecteert geen onderschikkend voegwoord
- werkwoord selecteert onderschikkend voegwoord dat
- werkwoord selecteert onderschikkend voegwoord of
- werkwoord selecteert onderschikkend voegwoord dat/of
Voorstel 2:
- werkwoord selecteert geen voegwoord
- werkwoord selecteert een voegwoord:
of het voegwoord dat of of is, hangt van de semantische selectie af.
Het lijkt erop dat een of-complement mogelijk gemaakt kan worden als
voldaan wordt aan het onbepaaldheidscriterium (ongedetermineerdheid),
in het Engels: indeterminacy.
Dit staat lijnrecht tegenover factieve complementen die juist moeten
voldoen aan het bepaaldheidscriterium (gedetermineerdheid), in het Engels:
determinacy.
Zie: [Bresnan 1972] en [Grimshaw 1979].
| ?? | ik weet of hij komt (eerder: ik weet dat hij komt)
|
| | ik weet of hij komt maar ik mag het niet zeggen.
|
| | ik weet NIET of hij komt
|
| | weet jij of hij komt?
|
| ?? | ik weet zeker of hij komt (ik weet zeker dat hij komt)
|
| | ik weet dat hij komt
|
| ?? | hij komt erachter of hij de waarheid spreekt
|
| | hij komt er wel achter of hij de waarheid spreekt
|
| | hij komt er NIET achter of hij de waarheid spreekt
|
| | kom jij erachter of hij de waarheid spreekt?
|
| | hij komt er (niet) achter dat hij de waarheid spreekt
|
| ?? | ik ben er zeker van of hij komt
|
| | ik ben er NIET zeker van of hij komt
|
| | ben jij er zeker van of hij komt?
|
| | ik ben er (niet) zeker van dat hij komt
|
| | ik vraag me (niet) af of hij komt
|
| | vraag jij je (niet) af of hij komt?
|
| * | ik vraag me (niet) af dat hij komt
|
| | ik vraag (niet) of hij komt
|
| | vraag jij (niet) of hij komt?
|
| * | ik vraag (niet) dat hij komt
|
| * | het verbaasde me of hij kwam
|
| * | het verbaasde me niet of hij kwam
|
| * | verbaasde het jou niet of hij kwam?
|
| | het verbaasde me dat hij kwam
|
| | het verbaasde me niet dat hij kwam
|
| | verbaasde het jou niet dat hij kwam?
|
De selectie van het onderschikkende voegwoord of
is onderhevig aan syntactische en semantische beperkingen:
Allereerst gelden de syntactische beperkingen.
- Selecteert een werkwoord wel een of-complement?
Zo nee, dan levert een combinatie met een of-complement syntactische
onwelgevormdheid op.
Zo ja, dan zijn de volgende semantiche beperkingen erop van toepassing.
- Wordt in de matrix het semantische kenmerk Onbepaaldheid uitgedrukt
(het kenmerk Indeterminacy kan ook al in het werkwoord
zelf opgesloten zitten, zoals bij (af)vragen)?
Zo ja, dan is een of-complement semantisch mogelijk en levert het
welgevormdheid op.
Zo nee, dan geldt semantische onwelgevormdheid.
We zouden nu dit ook door kunnen trekken en kunnen stellen dat
dat/of-selectie volledig bepaald wordt door [+/determinacy]:
| weten: | [ongespecificeerd, context beslist]
|
| erachter komen: | [ongespecificeerd, context beslist]
|
| er zeker van zijn: | [ongespecificeerd, context beslist]
|
| zich afvragen: | [-determinate]
|
| zich verbazen: | [+determinate]
|
Bij ongespecificeerdheid geldt default [+determinate], maar
bepaalde contexten (negatie, ja/nee-vraag) kunnen [determinate]
alsnog specificeren.
We zien in de voorbeelden dat ja/nee-vragen of ontkennende zinnen
welgevormdheid opleveren bij weten en erachter komen.
Een negatie of vraag maakt datgene waar het om gaat ongedetermineerd.
| | [-determ]: weet je ... ? / ik weet NIET ...
|
| | [-determ]: kom je erachter ... ? / ik kom er NIET achter ...
|
Het wetenselecteert een +F, VRAGEN een +Q.
De werkwoorden verbazen en zeker zijn van selecteren een +P.
Het werkwoord verbazen kan syntactisch geen of-complement
selecteren, de ontkennende of vragende variant levert dus geen welgevormdheid
op. Daarentegen levert een dat-complement bij verbazen
zowel syntactisch als semantisch welgevormdheid op.
Laten we even verdergaan met een featuresysteem.
Een complement kan allereerst CP/NP zijn.
Dan kan er in beide gevallen een prepositie bij moeten.
In geval van CP, kan die CP [+/finiet] zijn.
Een CP[+finiet] kan allereerst dat/of/+WH zijn. Dat is in ieder
geval nog een vormelijk kenmerk.
Het voegwoord of zou mogelijk ook gekenmerkt kunnen worden met het
feature [+WH].
Het dat/of-verhaal komt overeen met [+/determinacy]. Dit kan door
het werkwoord opgelegd worden (dan geen variatie mogelijk), of door
de context bepaald worden (context voegt +/determinate toe).
In dat laatste geval is [+determinate] de default, en dient
[determinate] in de context getriggerd te worden.
Determinacy triggert dus dat/of.
De vraag is wat factiviteit dan is.
Dat moet dan een subklasse van [+determinate] zijn.
We kunnen vaststellen dat het begrip factiviteit moeilijk met syntactische
vorm in overeenstemming te brengen is.
Hieronder zal ik de werkwoorden in een overzicht weergeven die
aan bod zijn gekomen: