In deze subparagraaf speelt de kwestie aangaande het wel of niet opnemen van
structuren met voorlopige zinsdelen en sententiële verwijswoorden
zoals het/dat/dit.
Hoe worden voorlopige zinsdelen verwerkt of anders gesteld hoe kunnen ze
het best verwerkt worden? De vraag is of ze opgenomen moeten worden in het
lexicon.
Een voorlopig zinsdeel kan optreden bij een Onderwerpszin, Gezegdezin,
Lijdend-voorwerpszin, Meewerkend-voorwerpszin en Voorzetselwerpszin
[Van den Toorn 1984].
Horen de structuren met voorlopige zinsdelen zoals het, dit en
er + voorzetsel, in het lexicon in de vorm van S-frames of zijn
er regels te bedenken die deze structuren afleiden?
Een gelijksoortig probleem speelt bij CP-subjecten\footnote{CP-subjecten
worden in de volgende paragraaf behandeld.} en CP-complementen die
vervangbaar zijn door: dat. Dit noem ik een
sententiële anafoor: het abstracte element verwijst naar de
propositie die uitgedrukt kan worden in een zin of een zin-achtige
structuur\footnote{De categorieën VP en IP, naast CP, kunnen we ook als
sententiële categorieën beschouwen.}.
Hier hebben we te maken met een structureel verschijnsel.
We kunnen redundantieregels voorstellen die een CP vervangt
door een sententiële anafoor zoals dat.
Die mogelijkheid van het subcategoriseren voor sententiële anaforen hoeft
dus niet in het lexicon opgenomen te worden, omdat het is af te leiden (met
zogenaamde afleid- of redundantieregels) wanneer en waar ze voorkomen in de
zin.
Hieronder worden enkele afleid-/redundantieregels opgesteld
aangaande sententiële anaforen:
- Indien een werkwoord een finiete zin selecteert als object
(CP-complement), dan kan dat werkwoord in plaats daarvan ook een
sententiële anafoor, zoals dat, hebben.
Het is een pronominaal abstract element dat naar een propositie
verwijst die syntactisch gerealiseerd kan worden door een CP.
- Indien een werkwoord een objects-NP selecteert als complement,
dan is het volgende alternatief mogelijk: er kan een
leeg/optioneel/verplicht voorlopig Lijdend Voorwerp LV het ook
weer een soort sententiële anafoor op de NP-positie geplaatst
worden, waarbij achteraan in de zin het werkelijke object staat,
gerealiseerd als een CP.
- Indien een werkwoord een (verplicht) voorzetsel P selecteert
er is dan sprake van een Voorzetselvoorwerp (VZV), dan ligt in
bepaalde gevallen de volgende mogelijkheid open:
het gepronominaliseerde deel [een voorlopig VZV er + vz] is op
de PP-positie te plaatsen (dit deel kan weggelaten worden: het is
optioneel), waarbij achteropgeplaatst de zin komt, die het werkelijke
object uitdrukt.
- Als het werkwoord een sententieel onderwerp (CP-subject) kan
nemen, dan zou ook de constructie te creëren zijn met een voorlopig
onderwerp waarbij achteraan het werkelijke onderwerp in de vorm van
een zin is gerealiseerd.
Hierbij moet opgemerkt worden dat zinsdeelzinnen met wie/wat
(betrekkelijke voornaamwoorden met ingesloten antecedent) eerder NP's
zijn. Ze komen overal voor waar het werkwoord voor een NP subcategoriseert.
Doordat dit structureel is, hoeven we dit ook niet in de S-frames in
het lexicon te vermelden.
We kunnen dus stellen dat werkwoorden die een CP-zin als subject kunnen
hebben (geen wie/wat-zin), altijd een voorlopig Onderwerp
hebben bij CP. Dat is structureel, dus het betreft geen lexicale informatie.
Hetzelfde geldt bij voorlopig VZV: als het VZV een zin is, dan
is er altijd sprake van een voorlopig VZV.
Bij voorlopig Lijdend Voorwerp (voorlopig LV) hebben we echter enige
lexicale variatie:
Variatie bij voorlopig LV\label{variatie-voorlopig-lv}
| | ik denk (*het) dat het regent (verboden het)
|
| | ik haat *(het) dat het regent (verplicht het)
|
| | ik betreur (het) dat het regent (optioneel het)
|
Verder kan het wel of niet aanwezig zijn van het voorlopig LV
betekenisverschil teweegbrengen. Een speciaal geval vormen daarom de
volgende voorbeelden:
| | ik begrijp [het] dat het regent (betekenis: "snappen")
|
| | ik begrijp dat het regent (betekenis: "concluderen")
|
Veel zaken die spelen bij voorlopige zinsdelen en bij het gebruik
van sententiële anaforen zijn structureel af te leiden.
Deze structurele eigenschappen horen niet thuis in het lexicon.
Wel moet er in de S-frames van de werkwoorden die naast een CP-object
een voorlopig object nemen, vermeld worden of dit voorlopig object
verplicht of optioneel is.
Alleen deze niet-structurele eigenschap moet worden vastgelegd in het
lexicon.