Het werkwoord helpen is een bijzonder werkwoord dat optioneel
RTO kan triggeren.
In deze subparagraaf wil ik het probleem van
helpen [+te] versus
helpen [te] behandelen in relatie tot subcategorisatie en thematische
roltoekenning\footnote{Een vergelijkbaar RTO-werkwoord is leren.}.
Laat ik eerst de twee zinnen geven van de twee varianten van helpen:
| | hij helpt oma (om) over te steken
|
| | hij helpt oma oversteken
|
In de eerste zin wordt helpen gebruikt in de betekenis van
"bijstaan": hij helpt oma, en wel bij/met het oversteken.
Hij zorgt er direct of indirect voor dat oma kan oversteken.
In de tweede zin geldt alleen de betekenis "het actief helpen, steunen of
begeleiden": hij helpt oma de weg over door haar bijvoorbeeld
bij de arm te nemen. Alleen met zijn directe hulp, steun en begeleiding
komt oma aan de overkant van de weg.
In de eerste zin kunnen we de S-frames van helpen en
oversteken afzonderlijk nemen.
| helpen : | [EA(NP) (IA(NP))
| (IA(CP(+om)/met/bij))]
|
| oversteken : | [EA(NP)]
|
Ook de thematische rolverdeling kan gescheiden gebeuren:
| helpen : | [+AGE (+DAT) (+OBJ)]
|
| oversteken : | [+AGE]
|
In de tweede zin hebben we met de AcI-constructie of
RTO-constructie te maken. Hetzelfde is toe te passen bij
gelijksoortige RTO-werkwoorden:
| | hij laat oma oversteken
|
| | hij ziet oma oversteken
|
| | hij leert oma oversteken
|
De NP oma in deze variant staat op de objectpositie van de matrix-zin
waar de accusatiefnaamval geabsorbeerd wordt:
| * | hij helpt [zij] oversteken
|
| | hij helpt [haar] oversteken
|
Dat er sprake is van een verheven subject verklaart waarom het
deel oma oversteken is in de zin hij helpt oma oversteken
geen syntactische eenheid, zoals blijkt uit ongrammaticaliteit van zinnen
waarbij dit deel in zijn geheel getopicaliseerd is.
Dezelfde feiten zien we bij andere RTO-werkwoorden.
| * | [oma oversteken] helpt hij
|
| * | [oma oversteken] laat/ziet/leert hij
|
Het werkwoord helpen vertoont in de constructie zonder te
de eigenschappen van RTO-werkwoorden. Doordat de nominatiefnaamval en
te niet in deze constructie voorkomen, kunnen we hier geen selectie
van IP of CP aannemen.
Een nominatiefnaamval veronderstelt een I-positie, terwijl te
een I-positie nodig heeft.
We moeten daarom een toevlucht nemen tot VP-selectie waarin het subject
in de diepte-structuur zich op de [Spec,VP]-positie bevindt.
Het ontbreken van de nominatiefnaamval, van om en te
volgt nu uit de categorieselectie (hier: VP).
In de zin hij helpt oma (om) de straat over te steken is er wel
te aanwezig. Het deel (om) de straat over te steken is
een CP/IP waarin PRO optreedt als impliciet subject, gecontroleerd door
de NP met de Datiefrol bij helpen.
Hier gelden de S-frames met de thematische rolverdeling voor de
zelfstandige werkwoorden helpen en oversteken zoals
die hierboven al zijn weergegeven.
Opmerkelijk is dat de tweede variant niet passiviseerbaar is, terwijl de
eerste variant wel te passiviseren is:
| | oma wordt geholpen door hem (om) de straat over te steken
|
Het is bekend dat passivisatie in RTO-constructies niet mogelijk
is. De tweede variant waarin RTO optreedt, lijkt veel
overeenkomsten te vertonen met de passiefconstructie.
Laten we het betekenisverschil tussen de twee zinnen nog eens bekijken
aan de hand van een ander voorbeeld [Seuren 1986]:
label{vb-helpen}
| | ik heb Karel helpen failliet gaan
|
| | ik heb Karel geholpen failliet te gaan
|
De eerste zin zonder te is ambigu. Deze zin heeft twee lezingen:
- ik heb ertoe bijgedragen dat Karel failliet ging;
- ik heb Karel geassisteerd bij/met het bewerken van zijn faillissement
De tweede zin heeft echter maar één lezing:
- ik heb Karel geassisteerd bij/met het bewerken van zijn faillissement
Dit syntactische verschil beregelt Seuren (zie [Seuren 1985] en
[Seuren 1986]) in zijn grammatica door het wel of
niet toepassen van de regel Predicate Raising,
afgekort met PR.
Bij [PR] vindt er geen clustervorming van de werkwoorden
plaats. Vervolgens wordt vóór het infiniete verbum het partikel
te geplaatst. Dit levert de eerste variant op.
Als voor de optie [+PR] wordt gekozen, dan wordt het ingebedde infiniete
werkwoord of Predikaat geraised naar de matrix-zin en komt het
naast het RTO-werkwoord (hier: helpen) te staan. We krijgen dan
de tweede variant met een V-cluster:
[V- [Vfin-help] [V-oversteken]].
De twee betekenissen van de eerste zin wordt door Seuren als volgt
weergeven:
| | ik heb Karel geholpen [Karel ging failliet]
|
| | ik heb geholpen [Karel ging failliet]
|
In de eerste lezing is er de geldige gevolgtrekking dat Karel zelf ook
bezig was zijn faillissement te bewerkstelligen. Bij de tweede lezing geldt
het dwingende gevolg dat één of meer betrokken waren bij het tot stand
komen van Karels faillissement, los van het subject van helpen
(hier: ik).
Seuren werkt de twee constructies uit: de PR-constructie
en de Equi-constructie (met Equi-NP-deletie).
De PR-constructie wordt typisch gekenmerkt door het optreden van een
infinitief in voltooide tijden, terwijl bij eenvoudige Equi dan een
voltooid deelwoord optreedt.
Door de markering +PR bij het werkwoord op de S0-cyclus wordt het lagere
werkwoord of V-cluster in de ingebedde S1 omhooggetild en (rechts)
aangehecht van het PR-werkwoord onder een nieuwe V-knoop. Door het wegnemen
van het lagere werkwoord of V-cluster verdwijnt S1 (de ingebedde zin). De
resterende NP-argumenten van S1 worden gewoon aangehecht, in de gegeven
volgorde, aan S0. Zo kunnen we drie NP-argumenten krijgen onder S0.
Het middelste wordt dan indirect object, en krijgt vaak de datief als
naamval toegewezen.
Zijn er twee argumenten onder S0, dan zijn ze, respectievelijk, subject en
direct object; is er één argument, dan is dat subject.
Het werkwoord helpen laat in alle gevallen, of het nu transitief of
ditransitief wordt gebruikt, PR toe.
Seurens benadering kan de feiten bij helpen dus verantwoorden
in zijn model.
Er zijn echter problemen voor de aanpak van Seuren.
De volgende verschijnselen zouden niet verklaard kunnen worden
in de analyse van Seuren waarin de ingebedde S, waaruit het werkwoord
is verheven, geheel verdwijnt na toepassing van PR.
Ten eerste levert het matrix-bijwoord graag problemen op.
dieptestructuur: hij zou graag [hij zijn kinderen boeken lezen] laten
| | hij zou graag zijn kinderen boeken [laten lezen]
|
| | hij zou zijn kinderen graag boeken [laten lezen]
|
| * | hij zou zijn kinderen boeken graag [laten lezen]
|
Het bijwoord graag is afkomstig van het S-niveau van
het matrix-werkwoord laten.
Na PR zouden alle losse constituenten die zich eerst samen met het
predikaat onder de ingebedde S bevonden, aanhecht worden aan de matrix-S
waarbij de oude ingebedde S verdwijnt vanwege snoei-regels.
Als nu zijn kinderen en boeken allebei op hetzelfde
S-niveau zitten waarom mag graag dan wel achter zijn kinderen,
maar niet achter boeken staan?
De PR-analyse kan dus niet de juiste distributie van het matrix-bijwoord
graag verantwoorden.
Ten tweede kan de distributie van floating quantifiers niet
verklaard worden.
| | hij laat zijn kinderen alledrie thuis wonen
|
| * | hij laat zijn kinderen thuis alledrie wonen
|
Als zijn kinderen en thuis op één niveau
staan, waarom mag de floating quantifier allebei
dan wel achter zijn kinderen, en niet achter thuis?
Een ander voorbeeld met floating quantifiers, benaderd vanuit de
dieptestructuur, levert voor de PR-analyse eveneens problemen op:
diepte-structuur: wij allebei [wij de mensen door argumenten overtuigen] laten
| | [+SD]: wij allebei [de mensen door argumenten overtuigen] laten
|
| | [+PR]: wij allebei [de mensen] [door argumenten] laten overtuigen
|
Bij het snoeien van S worden de resterende constituenten los aan de
matrix-S aangehecht. Daardoor komen de mensen en
door argumenten op één niveau te staan.
In deze benadering kan niet verklaard worden waarom de floating quantifier
allebei wel achter de mensen maar niet achter
door argumenten mag staan.
| | ... dat wij allebei de mensen door argumenten laten overtuigen
|
| | ... dat wij de mensen allebei door argumenten laten overtuigen
|
| * | ... dat wij de mensen door argumenten allebei laten overtuigen
|
Dit kan wel verklaard worden in de RTO-analyse [Coppen et al. 1983].
Als laatste punt zou het aantal temporele bepalingen per zin
problemen kunnen geven als S wordt weggesnoeid.
Op één S-niveau kan gewoonlijk maar één tijdsbepaling (van moment)
staan die de handeling situeert in de tijd.
| * | ik kom/kwam [gisteren nog] [aanstaande maandag] terug.
|
| | hij liet me [gisteren nog] [aanstaande maandag] terugkomen
|
We zien in de laatste zin echter dat in deze constructie twee temporele
bepalingen kunnen staan. Dit zou niet verklaard kunnen worden als de
ingebedde S weggesnoeid wordt waarbij de overblijvende constituenten
los aan de matrix-S worden gehecht.
Hierbij moeten we echter wel een kanttekening plaatsen. Het probleem is
namelijk dat er hier twee radicaal verschillende aannames gelden
voor de toepassing van (structurele) semantische interpretatie/analyse.
Seuren gaat ervan uit dat de semantiek in de dieptestructuur en niet in de
oppervlaktestructuur aanwezig is.
Volgens Seuren zit de werkelijke betekenis van een uiting verborgen in de
oppervlaktestructuur.
De betekenis (met de restricties) bevindt zich in Seurens model op het
niveau van de dieptestructuur.
Het laatst genoemde verschijnsel aangaande twee temporele bepalingen
zou in het model van Seuren dus verklaard worden in de dieptestructuur.
Zo heeft in de dieptestructuur de eerste tijdsbepaling van \hetvb betrekking
op de matrix-S, terwijl de tweede tijdsbepaling gerelateerd is aan de
ingebedde S:
| | S0-(hij liet me [gisteren nog] S1-([aanstaande maandag] terugkomen))
|
Bij de generering van de dieptestructuur (semantische analyse)
naar de oppervlaktestructuur past Seuren niet het principe van Behoud
van Structuur (en daarmee Behoud van de structurele semantiek) toe. Er gaat
dus blijkbaar tijdens de generering informatie verloren.
Oorspronkelijk waren er twee of meer S-niveaus. Na toepassing van PR op
ieder niveau blijft er uiteindelijk maar één S over.
Het argument met de temporele bepalingen wordt dus deels ontkracht door
de overweging dat in Seurens grammaticamodel de semantiek op DS (eigenlijk
vóór DS) aangrijpt.
De vraag blijft echter hoe de juiste woordvolgorde wordt bereikt in geval
van het matrix-bijwoord graag en floating quantifiers.
Kortom, hoewel er technisch niets op tegen is om +PR te gebruiken
in plaats van IA(NP/theta), levert het snoeien van zo'n
S-knoop nog wel een paar vraagtekens op.
In Seurens model functioneert het feature +PR in het lexicon, dat aangeeft
dat een werkwoord Predicate-Raising moet of kan ondergaan.
Wat bij Seuren met een feature bewerkstelligd moet worden, volgt in de
RTO-analyse al uit de structuur en de principes die daar vervolgens op
inwerken.
Als we het zouden kunnen stellen zonder een feature zoals +PR, dan zou
dat beter zijn. De transformatie wordt dan immers niet gestipuleerd.
Hieronder zal ik de RTO/PRO-analyse weergeven die de feiten verantwoordt
zonder gebruik te maken van een feature. De resultaten volgen uit
de principes die van toepassing zijn op de structuur die gebaseerd is op de
informatie uit het S-frame.
Stel dat de eerste zin van (\ref{vb-helpen}) (zonder te) RTO is,
en tweede zin (met te) een controlestructuur met PRO,
dan zijn er de S-frames:
| 1. helpen: | EA-NP:+AGE | (IA-NP:+DAT) | (IA-met+NP/SE[+te]:+OBJ)
|
| 2. helpen: | EA-NP:+AGE | IA-NP:-theta | IA-SE[te]:+OBJ
|
In de structuur van S-frame 1 wordt het subject van de ingebedde bijzin[+te],
weergegeven met PRO, gecontroleerd door de controleur het interne argument
met de Datief-rol: IA(+DAT).
Hierbij hoeft IA(+DAT) niet lexicaal gerealiseerd te worden.
In de structuur van S-frame 2 wordt het subject van de ingebedde objectszin
verheven tot object van de matrix-zin (RTO).
RTO wordt hier door de structurele argumentpositie IA-NP:theta
getriggerd.
De thetaloze NP-positie van helpen dwingt dus RTO af.
Argumenten hiervoor zijn:
- In een infinitieve zin zonder te ontvangt het subject van
de ingebedde zin anders geen naamval. De theta-loze IA-positie krijgt
de accusativusnaamval van het matrix-werkwoord, zodat de NP daar
gewoon zijn casus kan absorberen en het Casusprincipe verder niet
geschonden wordt.
Als de zin een infinitiefzin is zonder te,
dan kan IA[theta] niet wegblijven.
| * | hij helpt de borden afwassen
|
| | hij helpt met het afwassen van de borden
|
| ? | hij helpt met de borden afwassen (alleen als nominalisatie?)
|
| | hij helpt (ermee) de borden af te wassen
|
- Bijw.bep.-effecten: graag hoort bij de matrixzin
en kan niet staan in de ingebedde zin.
| | hij hielp zijn oma graag de borden afwassen
|
| * | hij hielp zijn oma de borden graag afwassen
|
Het matrix-bijwoord graag kan wel achter oma, maar niet
achter borden staan.
- Passief is niet mogelijk, net als bij andere RTO-werkwoorden.
| * | zijn oma wordt de hele dag geholpen de borden afwassen
|
| | zijn oma wordt de hele dag ermee geholpen de borden af te wassen
|
- Het tweede helpen vertoont IPP, evenals alle andere
RTO-werkwoorden.
| | hij heeft zijn oma de borden helpen afwassen
|
| | hij heeft zijn oma geholpen de borden af te wassen
|
| * | hij heeft zijn oma de borden geholpen af te wassen
|
Daarbij kan ook nog worden opgemerkt dat helpen met RTO ook
geen Derde Constructie toelaat.
Tot nu toe hebben we dus twee S-frames voor helpen.
Hier wil ik echter nog een stap verder gaan en een poging
wagen tot generalisatie, zodat er slechts één S-frame nodig is
voor het werkwoord helpen.
| helpen : | EA(NP:+AGE)
| IA(NP:+DAT/theta)
| IA(met/bij+NP/SE[fin]:+OBJ)
|
Als helpen een thetaloze NP heeft, is RTO verplicht:
dan mag de tweede IA geen PP zijn, en de SE[fin] moet
ook [te] zijn.
Als helpen een NP(+Datief) heeft, is deze optie verboden.
Nu is nog de vraag waarom de zin in het ene geval [te] moet zijn en
waarom dat in het tweede geval uitgesloten is.
Allereerst is IP/CP een blokkade voor RTO. Dus een [+te]-realisatie
van IA[+Object] kan geen RTO opleveren. Dit laat namelijk de nontheta NP
oningevuld, hetgeen tot ongrammaticaliteit leidt. RTO eist dus
een VP-complement [te].
In geval van een IA[+Datief] moet het subject van de complements-VP
theta krijgen en PRO worden. Deze PRO is alleen toegestaan als SPEC-IP.
Hier wordt dus een [+te]-complement voor IA[+Object] verwacht.
De betekenisaspecten die Seuren opmerkt, volgen hier vanzelf uit.
In de zin hij hielp hem failliet te gaan is hem de Datief
van helpen. De twee personen samen hebben samengespannen om het
faillissement
te bewerkstelligen. In de zin hij hielp hem failliet gaan vinden we
dit betekenisaspect niet. Er is iemand failliet gegaan, en iemand anders
heeft daar de hand in gehad. Het werkwoord helpen kan dus goed met
de RTO-analyse worden beschreven.
We kunnen het volgende concluderen ten aanzien van helpen [+/te].
Of het werkwoord helpen al dan niet RTO triggert, hangt af van de
complementselectie.
Is er een infiniete VP als complement geselecteerd, dan hebben we een
thetaloze NP-positie en vindt RTO (NP-verplaatsing) plaats hetgeen de
RTO-constructie oplevert waarin te afwezig is.
Is een infiniete CP als complement geselecteerd met een optionele NP/PP
als Datief, dan is er geen aanleiding voor NP-verplaatsing en wordt
een controle-structuur, met PRO als impliciet subject, gerealiseerd waarin
het verplichte te optreedt. De CP-status van het complement kan
worden aangetoond met de prepositionele Complementizer om, dat
de infinitiefzin met te kan inleiden.