Modale werkwoorden voegen modaliteit, zoals waarschijnlijkheid,
noodzakelijkheid, mogelijkheid en wenselijkheid, toe.
Bij modale werkwoorden zoals kunnen, moeten, mogen, willen
en zullen moeten we een onderscheid maken in het
deontisch (1) en epistemisch (2) gebruik. In deontische lezing komt het
vermogen, de inzet, de bereidheid om iets te verrichten,
van de persoon zelf: die persoon kan/moet/wil zelf iets.
In de epistemische lezing hangt het echter af van de situatie, de omgeving,
de omstandigheden (buiten de persoon om dus), of iets mogelijk,
waarschijnlijk, verplicht, toegestaan of wenselijk is.
De volgende voorbeelden kunnen dit onderscheid verduidelijken:
deontische lezing:
| | hij kan zwemmen =
hij is in staat (om) te zwemmen,
hij heeft de vaardigheid/het vermogen (om) te zwemmen
|
| | hij moet zwemmen =
hij is verplicht (om) te zwemmen,
hij wil per se zwemmen
|
| | hij mocht zwemmen =
hij heeft verlof (om) te zwemmen
|
| | hij wil zwemmen =
hij is bereid (om) te zwemmen,
hij is van plan (om) te zwemmen
|
epistemische lezing
| | hij kan (wel) zwemmen =
het is voor hem mogelijk dat hij zwemt,
aan hem is de mogelijkheid/kans gegeven (om) te zwemmen
|
| | hij moet (wel) zwemmen =
het is voor hem noodzakelijk dat hij zwemt,
het is hem verplicht (om) te zwemmen,
|
| | hij mag (wel) zwemmen =
het is voor hem toegestaan dat hij zwemt,
aan hem is toestemming gegeven (om) te zwemmen
|
| | hij wil wel eens iets vergeten =
het wil wel eens dat hij iets vergeet
|
| | hij zal wel de eerste stap nemen =
het zal wel zo zijn dat hij de eerste stap neemt
|
We hebben hier met zelfstandige werkwoorden te maken. Dit blijkt
allereerst uit de dummy-formules die op deze modale werkwoorden
zijn toe te passen:
- IEMAND Vmodaal IETS
- IETS Vmodaal
Het complement van een modaal werkwoord is terug te vinden in de vorm
van IETS in iets kunnen/moeten/mogen/willen.
Deze modale werkwoorden delen dus theta-rollen uit.
Ze subcategoriseren dus voor argumenten. Deze werkwoorden moeten we
dus eerder als zelfstandige werkwoorden beschouwen.
Een andere aanwijzing hiervoor is dat deze werkwoorden afzonderlijk
gemodificeerd kunnen worden met bijwoorden op zinsniveau.
| | hij heeft gisteren/niet gezwommen (hij zwom gisteren/niet)
|
| | hij wilde gisteren/niet zwemmen (die wens had hij gisteren/niet)
|
| | hij wilde graag zwemmen (die wens leefde sterk bij hem)
|
Voorlopig kunnen we de volgende twee S-frames opstellen voor
de modale werkwoorden:
| Vmodaal (deontisch): | EA[NP:+DAT] | IA[INF:+OBJ]
|
| Vmodaal (epistemisch): | EA[NP:theta] | IA[INF:+OBJ]
|
In het tweede geval, met de epistemische lezing, treedt er
Raising To Subject (RTS) op, waarbij de subjects-NP van het ingebedde
hoofdwerkwoord op de EA-positie komt te staan.
RTS is echter niet altijd verplicht zoals uit de voorbeelden blijkt.
In geval van een bijzin ingeleid door dat [+fin] is RTS niet
toegepast. Deze optie moet open blijven.
Deze sententiële categorie wordt toegevoegd aan de tweede variant:
| Vmodaal (epistemisch): | EA[NP:theta] | IA[CP(dat)/INF:+OBJ]
|
Als we het onderscheid deontisch-epistemisch tot uiting laten komen in het
feit dat EA al dan niet een theta-rol ontvangt van V,
dan kunnen we de twee S-frames samenklappen tot één S-frame.
Het interne argument met de Datiefrol komt op de EA-positie na
RTS of ergativisatie.
Dit levert het volgende S-frame op voor modale werkwoorden:
| Vmodaal: | EA[NP:theta] | IA[(NP):+DAT] | IA[CP(dat)/INF:+OBJ]
|
Nu is het punt, dat het modale werkwoord zoals kunnen en
moeten maar één casus heeft.
Dus: ofwel er is RTS (epistemische lezing) of ergativisatie waarbij het interne
argument met de Datiefrol op de EA-positie komt (deontische lezing),
ofwel de datief blijft onvermeld of
krijgt een eigen casusmarkeerder (voor).
Dit laatste leidt tot de epistemische lezing.
Hierboven is getoond hoe het verschil tussen
de deontische en epistemische lezing van modale werkwoorden als
kunnen, moeten en mogen tot stand komt op basis van
één S-frame. Meestal worden de epistemische werkwoorden
als echte modale werkwoorden beschouwd.
Tot de groep modale verba behoren verder ook blijken, lijken, schijnen,
heten, dunken en voorkomen. De volgende voorbeelden
[Van den Toorn 1984, p.188] laten dit zien:
| | hij lijkt ziek te zijn
het lijkt [dat hij ziek is]
|
| | hij bleek toch nog te komen
het bleek [dat hij toch nog kwam]
|
| | hij heet een rijke vrouw getrouwd te hebben
het heet [dat hij een rijke vrouw getrouwd heeft]
|
Het blijkt dat ze in veel minder syntactische omgevingen dan het echte
koppelwerkwoord zijn kunnen voorkomen.
Voorbeelden van deze modale werkwoorden zijn: schijnen, blijken, lijken.
blijken/schijnen/lijken (Hier wordt niet het werkwoord
(ge)lijken bedoeld dat in vorm lijkt op het koppelwerkwoord
lijken.)
| | Jan ?*blijkt/*schijnt/lijkt gelukkig
|
| | Jan *blijkt/*schijnt/*lijkt in Parijs
|
| | Jan *blijkt/*schijnt/*lijkt weg
|
| | Jan *blijkt/*schijnt/*lijkt aan het dansen
|
| | Jan ?*blijkt/*schijnt/?*lijkt de directeur
|
We zien dat alleen voor lijken een goede syntactische omgeving
bestaat: een AP op predikaatpositie.
Dit verandert echter wanneer we te zijn toevoegen aan de zinnen,
waarbij zijn dan als koppelwerkwoord optreedt.
De werkwoorden blijken, schijnen en lijken voegen
dan alleen modaliteit toe aan het koppelwerkwoord zijn.
blijken/schijnen/lijken + te zijn
| | Jan blijkt/schijnt/lijkt gelukkig te zijn
|
| | Jan blijkt/schijnt/lijkt in Parijs te zijn
|
| | Jan blijkt/schijnt/lijkt weg te zijn
|
| | Jan blijkt/schijnt/lijkt aan het dansen te zijn
|
| | Jan blijkt/schijnt/lijkt de directeur te zijn
|
Het modale karakter is overigens aan te tonen door de volgende parafrase:
[ het blijkt/schijnt/lijkt wel (het geval te zijn), dat... ],
waarbij in de dat-bijzin de inhoud van de zin staat zonder het modale
werkwoord.
Daarbij bestaat de optie dat (te) zijn bij het werkwoord
lijken gedeleerd mag worden.
Het toevoegen van te zijn bij echte koppelwerkwoorden is niet
mogelijk.
| | Jan lijkt ziek (te zijn)
|
| | Jan is/blijft/wordt ziek (*te zijn)
|
De werkwoorden blijken, schijnen en lijken kunnen we dus niet onderbrengen onder de groep van
koppelwerkwoorden.
We moeten concluderen dat deze werkwoorden eerder modale werkwoorden
zijn.
De dummy-formule toont aan dat deze modale werkwoorden zelfstandige
werkwoorden zijn: IETS lijkt/blijkt/schijnt.
| | het lijkt (me) dat Jan ziek is
|
| | Jan lijkt (me) ziek te zijn
|
| | Jan lijkt (me) ziek
|
We hebben te maken met een RTS-werkwoord waar het subject van de
ingebedde zin, de oorspronkelijke finiete bijzin,
tot subject van de matrixzin verheven kan zijn zodat een infiniete IP
achterblijft. Zoals uit \hetvb blijkt, is steeds een optionele Datief
mogelijk: me in de betekenis van "voor mij", "volgens mij",
"in mijn ogen", "mijns inziens".
We moeten concluderen dat modale werkwoorden zelfstandige werkwoorden
zijn die argumenten nemen. Ze subcategoriseren voor een intern argument
met de Object-rol en een optioneel intern argument met de Datief-rol.