Aanvankelijk werd subcategorisatie in generatieve taalkundige theorieën,
zoals de standaardtheorie [Chomsky, 1965], ruim gezien. Het was het
verschijnsel dat door subcategorisatieregels teweeg werd gebracht.
Deze subcategorisatieregels, in ruime zin, kunnen als volgt omschreven
worden [Booij et al., 1975]:
| | Subcategorisatieregels
|
| |
Regels die lexicale categorieën subcategoriseren. Er bestaan twee
typen in de standaardtheorie: inherente en contextgevoelige
subcategorisatieregels. De eerste ontwikkelen bijvoorbeeld het nomen tot
[+CONCREET], [+BEZIELD],
[+MENSELIJK], etc., d.w.z. tot inherente kenmerken.
Deze maken deel uit van het complex symbool dat geassocieerd
is met de desbetreffende lexicale categorie.
Contextgevoelige subcategorisatieregels zijn te verdelen in strikte
subcategorisatieregels en selectieregels.
[G.E. Booij, J.G. Kerstens and H.J. Verkuyl (1975),
Lexicon van de taalwetenschap]
|
Subcategorisatie kan beschreven worden met de genoemde
contextgevoelige subcategorisatieregels. Meestal beperkt men zich
dan tot de strikte subcategorisatieregels.
Deze strikte subcategorisatieregels zijn goed te vergelijken met zogenaamde
insertieregels, die een zekere categorie zoals het werkwoord
in een bepaalde syntactische omgeving of context plaatsen.
De volgende definitie in termen van strikte
subcategorisatieregels (Booij et al. 1975) vormt de basis voor
een concretere specificering van het begrip subcategorisatie:
| (1) | Strikte subcategorisatieregels
|
| |
Regels die er voor zorgen dat
lexicale items worden geïntroduceerd in de voor hun passende
syntactische omgeving. Het domein van strikte subcategorisatieregels is
in de standaardtheorie beperkt tot de VC [= Verbale Constituent, SvD].
De regels subcategoriseren de categorie V met betrekking tot de mogelijke
zusterknopen van V. Zo zijn er werkwoorden die geen (lijdend
voorwerps-)NC [= Nominale Constituent, SvD] als zusterconstituent nemen
(intransitieve werkwoorden), werkwoorden met een vast voorzetselcomplement,
werkwoorden met richtingsbepalingen, etc.
In het lexicon staat deze informatie voor elk werkwoord in zijn lemma
vermeld. Op grond van bijvoorbeeld de informatie
[+ ___ NC] vermeld in
een lemma van een werkwoord als verorberen, kan dit werkwoord
alleen worden geïntroduceerd in een structuur waarin een NC als
zusterconstituent van V optreedt. Verdere differentiatie van de
categorie V vindt plaats via selectieregels.
[G.E. Booij, J.G. Kerstens and H.J. Verkuyl (1975),
Lexicon van de taalwetenschap]
|
Laat ik eerst, voordat we verder gaan, het domein van subcategorisatie
beperken. Subcategorisatie zou op basis van ieder lexicaal hoofd
verwezenlijkt kunnen worden. Dit onderzoek zal zich alleen
richten op de werkwoord-subcategorisatie: subcategorisatie door
verbale kernen. De subcategorisatie van andere kernen, zoals bijvoeglijke
naamwoorden (adjectieven), zelfstandige naamwoorden (nomina) en voorzetsels
(preposities), wordt buiten beschouwing gelaten.
Uit definitie (1) blijkt al dat subcategorisatie in het algemeen
op dezelfde manier wordt ingeperkt.
In definitie (1) wordt subcategorisatie voorgesteld als de
omgevingen waarin het werkwoord kan voorkomen. Hier wordt dus het
werkwoord in de passende context geplaatst. Het aantal mogelijke omgevingen
voor dit werkwoord wordt ingeperkt door subcategorisatieregels.
Het werkwoord kunnen we het beste zien als kern waarbij de syntactisch
geselecteerde elementen de afhankelijkheden zijn. We moeten in deze
zienswijze subcategorisatie van werkwoorden beschouwen als het selecteren
van een vast aantal elementen. Hoeveel en welke elementen worden gekozen,
hangt steeds af van het hoofdwerkwoord (de kern).
Verder mogen in de definitie van strikte subcategorisatie (1)
de categorieën die het werkwoord V bij zich heeft, alleen
zusterconstituenten van V zijn.
Dit betekent dat enkel voor objecten gesubcategoriseerd kan worden.
De vraag is of het subject ook niet valt onder subcategorisatie en
opgenomen moet worden als een gesubcategoriseerd element van het werkwoord.
De huidige definitie van subcategorisatie zou dan eventueel aangepast
moeten worden.
Als we aannemen dat een werkwoord zekere elementen neemt, dan is nog niet
duidelijk welke vorm deze elementen aannemen.
Zijn het de gebruikelijke syntactische categorieën, zoals NP, PP, VP, of
de grammaticale functies, zoals het subject en het direct, indirect of
prepositioneel object, of zijn het juist syntactische argumenten
(cf. argumentposities)?
Het kan ook zijn dat werkwoorden voor combinaties van deze soorten,
bijvoorbeeld categorieën met syntactische functies of argumenten,
subcategoriseren.
Hier speelt dus de vraag wat de meest geschikte (sub)typering is van de
gesubcategoriseerde elementen (zie paragraaf 1.1
Typering van
gesubcategoriseerde elementen).
Hieronder wil ik eerst aan de hand van zeer eenvoudige zinnen
de subcategorisatie-eisen van enkele typerende zelfstandige werkwoorden
illustreren, namelijk van een intransitief, monotransitief en een
ditransitief werkwoord.
Voor alle duidelijkheid geef ik de betekenis van de gehanteerde markering
voor de grammaticaliteitsoordelen bij zinnen: een asterisk (*)
vóór een voorbeeld duidt op een ongrammaticale zin of woordgroep, een
vraagteken (?) ervoor drukt twijfel uit -- de structuur hoeft echter niet
syntactisch ongrammaticaal te zijn, terwijl een combinatie van asterisk en
vraagteken onduidelijkheid betekent en aangeeft dat er niet echt sprake is
van een syntactisch grammaticale zin, en ten slotte het procentteken (%)
dat staat voor: semantisch of pragmatisch onacceptabel.
| (2) | a. | | Jan lacht
|
| | b. | * | Jan lacht Marie
|
| | c. | * | Jan lacht Marie een bos bloemen
|
| (3) | a. | * | Jan ziet
|
| | b. | | Jan ziet Marie
|
| | c. | * | Jan ziet Marie een bos bloemen
|
| (4) | a. | * | Jan geeft
|
| | b. | * | Jan geeft Marie
|
| | c. | | Jan geeft () een bos bloemen
|
| | d. | | Jan geeft Marie een bos bloemen
|
In (3)-(5) zijn enkele werkwoorden gegeven die telkens weer in een
andere syntactische omgeving staan. Deze werkwoorden hebben ten opzichte van
elkaar verschillende Subcategorisatie-frames.
(Een andere term voor subcategorisatieframe is
`subcategorisatieschema'.)
Het subject van lachen wordt gerealiseerd door de categorie NP.
Het werkwoord lachen is intransitief. Dit houdt in dat het niet
subcategoriseert voor NP-objecten.
Worden de subcategorisatie-eisen geschonden, dan ontstaat
ongrammaticaliteit. Dit is te zien bij de gevallen waar een objects-NP bij
het intransitieve werkwoord staat.
We krijgen een ander beeld als we kiezen voor het monotransitieve
werkwoord zien dat naast een subject een direct object verwacht.
Als de objects-NP hier wordt weggelaten, wordt de zin ongrammaticaal.
Het object is in het subcategorisatieframe gemarkeerd als verplicht en moet
dus in de structuur aanwezig zijn. Er zijn ook (pseudo-)transitieve
werkwoorden waar het object optioneel is. Bij deze werkwoorden kan het
object achterwege blijven in de structuur.
Als echter in de omgeving van het monotransitieve werkwoord twee objecten
voorkomen, levert dit altijd ongrammaticaliteit op. De eis van het
aantal argumenten dat het werkwoord (maximaal) kan nemen, is dan geschonden.
Deze transitieve werkwoorden nemen immers maximaal één argument.
Het ditransitieve werkwoord geven kan naast een direct object
een indirect object hebben. Dit werkwoord neemt dus een subject, een
indirect en een direct object. Als bijvoorbeeld alleen het subject
of alleen het indirect object aanwezig is, dan worden de
subcategorisatie-eisen geschonden.
Het indirect object bij ditransitieve werkwoorden is meestal optioneel
en hoeft dus niet in de oppervlaktestructuur voor te komen.
Hier kunnen we concluderen dat ieder werkwoord syntactische eisen oplegt aan
de structuur. Zo worden bepaalde grammaticale elementen wel of niet verlangd.
Als bepaalde subcategorisatie-eisen van een werkwoord, zoals het aantal en
het type argumenten, geschonden worden, dan ontstaat ongrammaticaliteit.
Subcategorisatie drukt dan de syntactische beperkingen uit op het aantal en
het soort argumenten in relatie tot het werkwoord.
Dit wordt uitgedrukt in een Subcategorisatie-frame (voortaan: S-frame).
De principiële vraag die in deze doctoraalscriptie aan de orde gesteld
wordt, is: wat houdt subcategorisatie precies in?
We weten dat het een vorm is van syntactische selectie.
Het gaat dus niet om semantische features,
want dat zijn selectierestricties, die eerder afhankelijk zijn van de
buiten-talige werkelijkheid. Het kan goed zijn dat het ook niet direct om
categorieën gaat, maar juist om syntactische argumenten.
Dat zou betekenen dat er drie niveaus van selectie kunnen zijn:
| (5) | | (A) Welke syntactische argumenten selecteert het werkwoord?
|
| | | (B) Welke categorieën hebben deze argumenten?
|
| | | (C) Welke verdere restricties zijn daar verder nog op van toepassing?
|
Vraag (A) en (B) is wat we tot nu toe subcategorisatie hebben
genoemd.
In wezen gaat het hier om het type van de direct door het werkwoord
gesubcategoriseerde elementen.
De precieze (sub)typering van deze gesubcategoriseerde elementen zal in de
volgende paragraaf onderzocht worden.
Vervolg: Typering van gesubcategoriseerde elementen