Meestal zijn de complementen bij een werkwoord niet weg te laten als we
de betekenis van de zin (de handeling) erbij betrekken.
Toch hoeven complementen niet altijd syntactisch gerealiseerd te worden.
Er zijn werkwoorden die optionele complementen nemen.
In veel gevallen kunnen de syntactisch niet gerealiseerde complementen
afgeleid worden uit de context of situatie.
Een voorbeeld van een werkwoord met een optioneel complement is eten.
| | hij eet een boterham (= hij eet de boterham op)
|
| | hij eet (= hij is aan het eten, hij eet iets)
|
| | hij drinkt niet maar hij eet (= eten, dát is wat hij nu doet)
|
Het probleem is dat veel zaken impliciet kunnen zijn in een
gesprek/verhaal/tekst, zodat ze syntactisch niet gerealiseerd hoeven te
worden. Veel objecten kunnen dus misschien optioneel zijn.
[[Situatie: ik heb een boek in mijn handen en wil het aan jou geven.]]
Nu kan iemand het volgende zeggen:
| | ik geef dit boek [aan jou] / ik geef [jou] dit boek
|
| | ik geef dit boek (met impliciet +Datief)
|
| ? | ik geef
|
De laatste zin is in andere situaties goed mogelijk:
[[Situatie: er zijn mensen die nooit iets geven aan een goed doel.]]
In aansluiting hierop heeft Sturm in [Sturm 1980] gezegd dat
alle subcategorisatie-eisen met de goede semantische context
geschonden kunnen worden:
| | [[we zijn aan het kaarten:]] ik geef
|
| | [[Peter Schaap zingt:]] adem mijn adem, voel wat ik voel
|
| | [[Jesus spreekt:]] zoekt en gij zult vinden
|
Het punt is dat in de genoemde voorbeelden sprake is van
min of meer optionele complementen. Als de context het toelaat, kunnen die
complementen syntactisch wegblijven. Toch blijkt dit niet altijd van
toepassing. Hieronder zal ik twee groepen werkwoorden noemen die verplichte
complementen nemen.
Allereerst levert het weglaten van het complement bij de meeste werkwoorden
met een prefix ver- of be-, zoals verorberen,
ongrammaticaliteit op. Hier hebben we dus verplichte complementen.
| | hij verorbert een boterham
|
| * | hij verorbert
|
| * | [[Jan heeft een boterham gegeten:]] hij verorberde
|
Welke semantische context we ook bedenken, het verplichte complement
van verorberen is niet weg te laten in de zin.
Een ander bewijs dat laat zien dat niet alle complementen
weg te laten zijn met een goede semantische context, vormen de werkwoorden
met een verplicht predikatief complement.
De werkwoorden heten (= "als eigennaam hebben, zo heten") en
noemen (= "iemand een naam geven, zo betitelen") selecteren
verplichte predikatieve\footnote{De verplichte "bepaling" bij heten
zegt iets over hoe de persoon heet. We kunnen het als Bepaling
van Gesteldheid beschouwen bij het externe argument of subject.}
complementen.
| * | hij heet
|
| | hij heet Jan
|
| | hij heet zo
|
| * | [[de betreffende persoon heet Jan:]] hij heet
|
Bij het werkwoord noemen is sprake van (lexicale)
ambiguïteit:
1. met een naam of een bepaalde hoedanigheid aanduiden, een naam geven,
betitelen als;
2. vermelden, opnoemen, benoemen.
Hier doel ik op de eerste betekenis: een direct object met een
verplicht predikatief\footnote{De verplichte "bepaling" van het
werkwoord noemen zegt iets over welke naam de persoon
krijgt. Het lijkt een soort Bepaling van Gesteldheid bij het direct object.}
complement.
| * | zij noemt hem (betekenis 1)
|
| | zij noemt hem Jan
|
| | zij noemt hem zo
|
| * | [[zij wil de baby Bjorn gaan noemen:]] zij noemt hem
\footnote{Vergelijk hiermee het Engelse werkwoord to name.}
|
Zoals heten een verplicht predikatief complement neemt, zo
subcategoriseert noemen (in betekenis 1) voor een verplicht
predikatief complement bij het direct object.
Ook hier zien we dat de zin zonder predikatief complement
ongrammaticaal blijft met een gegeven semantische context.
We moeten concluderen dat niet alle complementen zomaar kunnen worden
weggelaten bij werkwoorden met het prefix ver- of be-
en bij werkwoorden met een verplicht predikatief complement, ook al
bedenken we een semantische context waardoor het complement impliciet
zou kunnen blijven.
Niet alle subcategorisatie-eisen zijn dus te schenden met een goede
semantische context.
Als we te maken hebben met optionele complementen, dan moet het complement
impliciet nog wel in de beschreven gebeurtenis/situatie aanwezig zijn.
In de zin Jan eet is Jan wel iets aan het eten.
| OPETEN: +verplicht object
|
| * | hij eet op
|
| | hij eet iets op
|
Hier zouden we ook met een soort Small Clause (SC) te maken kunnen hebben:
hij eet iets, en wel dat er niets van over/achter blijft (het is dan
op). Deze SC-constructie neemt dan een verplicht object bij zich.
Werkwoorden met prefix ver- of be- hebben typisch
een verplicht object. Het zouden oorspronkelijk
SC-constructies zijn geweest. Gewone SC-constructies hebben een
verplicht object:
| * | 's avonds vind ik (niet graag meer) leuk
|
| | 's avonds vind ik iets (niet graag meer) leuk
|
| * | 's avonds maak ik (niet graag meer) af
|
| | 's avonds maak ik iets (niet graag meer) af.
|
De belangrijke vraag is hoe we moeten omgaan met optionaliteit van
complementen in het lexicon. Moeten we alle uitsplitsingen, waarbij rekening
is gehouden met het al dan niet optioneel zijn van een of meer complementen,
uitwerken in S-frames of hoeven we de varianten waar de optionele
complementen afwezig zijn niet apart op te nemen, zodat één
S-frame zou volstaat?
Dit probleem bij optionele complementen zal ik hieronder verder uitwerken.
Met het werkwoord eten, dat een optioneel complement neemt, is dit
probleem goed te illustreren.
Er zijn drie voorstellen voor het werkwoord eten:
- eten kan zowel intransitief als transitief zijn;
- eten is transitief, het complement is optioneel of impliciet;
- eten is transitief, het complement kan gedeleerd worden in een bepaalde context.
De voorstellen 2 en 3 lijken minimaal van elkaar te verschillen. In het
derde voorstel kan het object syntactisch afwezig zijn na deletie,
terwijl in het tweede voorstel de objectspositie altijd nog zichtbaar kan
zijn in de vorm van een nulcomplement of een lege knoop. Voorstel 1
stelt dat er twee S-frames zijn: één voor het intransitieve en één
voor het transitieve werkwoord eten.
Samengevat:
- eten [+ ], intransitief
eten [+ NP], transitief
- eten [+ (NP)], waarbij de NP impliciet kan zijn
- eten [+ NP], met mogelijke deletie-operatie ("deleer NP")
De laatste twee voorstellen hebben met elkaar gemeen dat ze er niet van
uitgaan dat eten oorspronkelijk twee S-frames heeft (of anders
gesteld: dat er twee soorten van eten zijn), maar dat bij eten
één S-frame hoort.
Als we geen generalisaties willen missen, moeten we
kiezen voor één S-frame.
In [Rigter & Beukema 1985, p. 64]
wordt echter aangenomen dat het Engelse werkwoord eat
twee verschillende S-frames heeft: één voor het intransitieve en
één voor het transitieve werkwoord.
| eat /1: | NP [ ]
|
| eat /2: | NP [ NP ]
|
Rigter & Beukema (voortaan: R&B) baseren deze verschillende S-frames op
semantische gronden. De twee verschillende S-frames houden twee verschillende
'dwingende gevolgtrekkingen' (Engelse term: entailments) in.
De entailment-test gebruiken ze als criterium voor het onderscheid.
(Hier wordt het symbool |- gebruikt voor de entailment-relatie.)
| | he is eating
|- he has eaten
|
| | he is eating an apple
¬|- he has eaten an apple
|
In de eerste zin heeft de persoon gegeten, ook al wordt hij tijdens
het eten onderbroken. Dat hij heeft gegeten is een dwingende
gevolgtrekking. In de tweede zin hoeft dit niet het geval te zijn.
R&B menen dat het verschil in entailment te verklaren is door twee
verschillende type werkwoorden aan te nemen met gescheiden
S-frames.
Het is te betwijfelen dat het verschil in entailment het gevolg
is van twee verschillende S-frames.
We kunnen ons afvragen of dit resultaat van de entailment-test niet het
gevolg is van het feit dat een appel eten een terminatief predikaat
is ("een handeling met een eindpunt"). Vergelijk:
| * | hij heeft een appel gegeten maar hij werd halverwege onderbroken
|
| | hij heeft gegeten maar hij werd halverwege onderbroken
|
| | hij heeft van een appel gegeten maar hij werd halverwege onderbroken
|
In de tweede zin van \hetvb heeft het perfectum alleen een
verleden-tijd-lezing. Een echt perfectieve lezing is niet mogelijk. Immers,
als je halverwege onderbroken bent, is het eten dus niet voltooid. Deze
semantiek lijkt zwaar te leunen op de semantiek van tempus en aspect,
die misschien ook nog eens taalafhankelijk is, en heeft niets
met (het verschil in) subcategorisatie te maken.
Verder blijkt deze entailment-test onderhevig te zijn aan de inhoud van
de NP in termen van semantische kenmerken. De verschillen in entailment
volgen dus niet zomaar uit het afwezig en aanwezig zijn van het
complement.
Als het optionele complement van een werkwoord gerealiseerd wordt,
dan bepaalt het feature telbaarheid [+/CNT] van de NP
wat het resultaat is van de entailment-test.
De bovenstaande entailment bij aanwezigheid van de NP geldt namelijk niet
als het hoofd van de NP een ontelbaar [CNT] zelfstandig naamwoord.
Dit is te zien in de volgende voorbeelden waarin de werkwoorden
drinken en eten) met een NP zijn gebruikt:
| | hij drinkt een glas [+cnt] wijn
¬|- hij heeft een glas wijn gedronken
|
| | hij drinkt (wat) wijn [cnt]
|- hij heeft (wat) wijn gedronken
|
| | hij drinkt
|- hij heeft gedronken
|
Degene die een beetje drinkt, heeft op ieder moment een beetje gedronken,
tenzij de persoon niet de kans kreeg om te drinken maar dan is er geen
sprake meer van drinken. Je moet in ieder geval een beetje hoe weinig
dat ook moge zijn (drinkbare) vloeistof binnenkrijgen, wil je nog
kunnen spreken van "drinken".
Hetzelfde geldt voor het complement bij het werkwoord eten.
| | hij eet een boterham/biefstuk [+cnt/mass]
¬|- hij heeft een boterham/biefstuk gegeten
|
| | hij eet (wat) brood/vlees [cnt/+mass]
|- hij heeft (wat) brood/vlees gegeten.
|
| | hij eet |- hij heeft gegeten
|
Het verschil in entailment kan het gevolg zijn zijn van het feit dat het
optioneel complement wel of niet fonetisch gerealiseerd is.
Het betekenisverschil van 'activiteit' en 'voltooiing' zou dan direct
worden veroorzaakt door de (syntactische) aan- of afwezigheid van het
complement. Het hoeft dan nog niet om twee verschillende werkwoorden te
gaan. Dit is misschien vergelijkbaar met lijden en
lijden aan/onder.
| | hij lijdt erg veel pijn (= "pijn hebben")
|
| | hij lijdt aan die ziekte (= "die ziekte hebben")
|
| | hij lijdt onder die situatie (= "geen goed doen")
|
Het werkwoord lijden heeft de hoofdbetekenis van
"(iets) ondergaan, dulden, verdragen, last hebben van, smart voelen,
nadeel ondervinden".
In combinatie met een complement (hier PP) wordt die betekenis verder
gedifferentieerd/onderverdeeld (sub-betekenis).
Het betekenisverschil hoeft dus niet altijd verklaard te worden
door verschillende S-frames bij werkwoorden met dezelfde vorm aan te nemen.
Als een werkwoord een combinatie aangaat met een complement, dan ontstaat
weer een nieuwe betekenis. Dit komt overeen met het principe van de
Compositionaliteit: de betekenis wordt afgeleid uit de delen van het geheel.
Het gaat er dan om hoe het geheel gestructureerd is. De totale betekenis
hangt uiteindelijk af van de betekenis der delen. Een andere structuur levert
dus ook een andere betekenis op.
De entailment-test is voor mij dus niet overtuigend.
Het lijkt me beter om ervan uit te gaan dat al deze werkwoorden een
intern argument hebben. Als een intern argument optioneel is, dan hoeft
het in de oppervlaktestructuur niet altijd gerealiseerd te worden.
We kunnen het daarom stellen met één S-frame voor het
werkwoord eten. We zouden bovendien een gigantische generalisatie
missen als we er twee van zouden maken. Het zouden er dan overigens meteen
drie moeten worden, namelijk ook een voor eten van iets).
Het lijkt me volslagen duidelijk dat er maar één eet-actie is.
De verschillende implicaties moeten worden afgeleid van de verschillende
concretiseringen van dit frame. Die moeten dus op een hoger niveau geregeld
worden.
We krijgen dus bij het werkwoord eten het volgende S-frame:
| ETEN: | [IA(van+NP/NP:+OBJ)]
|
Nu zouden we in het S-frame de positie van het optionele interne argument
alleen maar hoeven te markeren met een feature [+opt]. Op die plaats zou
dan een nulcomplement mogen worden geïnserteerd.
De invulling van het feature optionaliteit kan misschien ook afgeleid worden
uit andere kenmerken.
Zo is te zien dat als het interne argument als NP gerealiseerd is, dit een
terminatief predikaat oplevert. Als het interne argument echter als een
nulcomplement of als een van-PP gerealiseerd wordt, hebben we de
niet-terminatieve variant:
| | Jan drinkt een glas wijn
|
| | Jan drinkt van een glas wijn
|
| | Jan drinkt
|
Terminativiteit is te diagnostiseren door toevoeging van een flinke
duratieve bepaling. Terminatieve predikaten krijgen dan een
repetitieve betekenis: drie dagen lang ontplofte de bom.
| | drie dagen lang drinkt hij een glas wijn
("iedere dag een glas")
|
| | drie dagen lang drinkt hij van een glas wijn
("steeds hetzelfde?")
|
| | drie dagen lang drinkt hij
("gewoon duratief")
|
De invulling van het semantische feature TERMINATIEF blijkt
bepalend te zijn voor de optionaliteit van een complement.
Het werkwoord eten is gemarkeerd met het feature
[+/TERMINATIEF]. Dit wil zeggen dat het complement van
dit werkwoord mag worden weggelaten. Als het wordt weggelaten, dan is het
predikaat niet-terminatief.
Werkwoorden zoals verorberen en opeten zijn daarentegen
gemarkeerd met [+TERMINATIEF]. Bij deze terminatieve werkwoorden
mag het complement niet worden weggelaten.
Uit de interne semantiek van werkwoorden zoals verorberen en
opeten volgt dus dat deze een verplicht complement nemen.
Dit komt overeen met de feiten:
| | hij eet een boterham
|
| | hij eet
|
| | hij eet een boterham op
|
| * | hij eet op
|
| | hij verorbert een boterham
|
| * | hij verorbert
|
Het semantische feature [+/TERMINATIEF] maakt het feature
[+/OPT] overbodig. De volgende redundantieregel zou kunnen gelden:
[a TERMINATIEF] > [a OPT].
We moeten concluderen dat optionaliteit een afleidbare eigenschap is.
Het optioneel zijn van complementen hoeven we dus niet te verwerken in
het S-frame. Dit volgt uit de semantiek.