Doctoraalscriptie (1996)
K.U. Nijmegen


Subcategorisatie
Een onderzoek naar SUBCATEGORISATIE en de verwerking ervan in een NLP-systeem.

Simon van Dreumel

Optionaliteit van complementen

Meestal zijn de complementen bij een werkwoord niet weg te laten als we de betekenis van de zin (de handeling) erbij betrekken. Toch hoeven complementen niet altijd syntactisch gerealiseerd te worden. Er zijn werkwoorden die optionele complementen nemen. In veel gevallen kunnen de syntactisch niet gerealiseerde complementen afgeleid worden uit de context of situatie. Een voorbeeld van een werkwoord met een optioneel complement is eten.

hij eet een boterham (= hij eet de boterham op)
hij eet (= hij is aan het eten, hij eet iets)
hij drinkt niet maar hij eet (= eten, dát is wat hij nu doet)

Het probleem is dat veel zaken impliciet kunnen zijn in een gesprek/verhaal/tekst, zodat ze syntactisch niet gerealiseerd hoeven te worden. Veel objecten kunnen dus misschien optioneel zijn.

[[Situatie: ik heb een boek in mijn handen en wil het aan jou geven.]] Nu kan iemand het volgende zeggen:

ik geef dit boek [aan jou] / ik geef [jou] dit boek
ik geef dit boek (met impliciet +Datief)
? ik geef

De laatste zin is in andere situaties goed mogelijk: [[Situatie: er zijn mensen die nooit iets geven aan een goed doel.]]

ik geef altijd

In aansluiting hierop heeft Sturm in [Sturm 1980] gezegd dat alle subcategorisatie-eisen met de goede semantische context geschonden kunnen worden:

[[we zijn aan het kaarten:]] ik geef
[[Peter Schaap zingt:]] adem mijn adem, voel wat ik voel
[[Jesus spreekt:]] zoekt en gij zult vinden

Het punt is dat in de genoemde voorbeelden sprake is van min of meer optionele complementen. Als de context het toelaat, kunnen die complementen syntactisch wegblijven. Toch blijkt dit niet altijd van toepassing. Hieronder zal ik twee groepen werkwoorden noemen die verplichte complementen nemen.

Allereerst levert het weglaten van het complement bij de meeste werkwoorden met een prefix ver- of be-, zoals verorberen, ongrammaticaliteit op. Hier hebben we dus verplichte complementen.

hij verorbert een boterham
* hij verorbert
* [[Jan heeft een boterham gegeten:]] hij verorberde

Welke semantische context we ook bedenken, het verplichte complement van verorberen is niet weg te laten in de zin.

Een ander bewijs dat laat zien dat niet alle complementen weg te laten zijn met een goede semantische context, vormen de werkwoorden met een verplicht predikatief complement. De werkwoorden heten (= "als eigennaam hebben, zo heten") en noemen (= "iemand een naam geven, zo betitelen") selecteren verplichte predikatieve\footnote{De verplichte "bepaling" bij heten zegt iets over hoe de persoon heet. We kunnen het als Bepaling van Gesteldheid beschouwen bij het externe argument of subject.} complementen.

* hij heet
hij heet Jan
hij heet zo
* [[de betreffende persoon heet Jan:]] hij heet

Bij het werkwoord noemen is sprake van (lexicale) ambiguïteit:
1. met een naam of een bepaalde hoedanigheid aanduiden, een naam geven, betitelen als;
2. vermelden, opnoemen, benoemen.
Hier doel ik op de eerste betekenis: een direct object met een verplicht predikatief\footnote{De verplichte "bepaling" van het werkwoord noemen zegt iets over welke naam de persoon krijgt. Het lijkt een soort Bepaling van Gesteldheid bij het direct object.} complement.

* zij noemt hem (betekenis 1)
zij noemt hem Jan
zij noemt hem zo
* [[zij wil de baby Bjorn gaan noemen:]] zij noemt hem \footnote{Vergelijk hiermee het Engelse werkwoord to name.}

Zoals heten een verplicht predikatief complement neemt, zo subcategoriseert noemen (in betekenis 1) voor een verplicht predikatief complement bij het direct object. Ook hier zien we dat de zin zonder predikatief complement ongrammaticaal blijft met een gegeven semantische context.

We moeten concluderen dat niet alle complementen zomaar kunnen worden weggelaten bij werkwoorden met het prefix ver- of be- en bij werkwoorden met een verplicht predikatief complement, ook al bedenken we een semantische context waardoor het complement impliciet zou kunnen blijven. Niet alle subcategorisatie-eisen zijn dus te schenden met een goede semantische context.

Als we te maken hebben met optionele complementen, dan moet het complement impliciet nog wel in de beschreven gebeurtenis/situatie aanwezig zijn. In de zin Jan eet is Jan wel iets aan het eten.

ETEN: +optioneel object
hij eet
hij eet iets

OPETEN: +verplicht object
* hij eet op
hij eet iets op

Hier zouden we ook met een soort Small Clause (SC) te maken kunnen hebben: hij eet iets, en wel dat er niets van over/achter blijft (het is dan op). Deze SC-constructie neemt dan een verplicht object bij zich.

Werkwoorden met prefix ver- of be- hebben typisch een verplicht object. Het zouden oorspronkelijk SC-constructies zijn geweest. Gewone SC-constructies hebben een verplicht object:

* 's avonds vind ik (niet graag meer) leuk
's avonds vind ik iets (niet graag meer) leuk
* 's avonds maak ik (niet graag meer) af
's avonds maak ik iets (niet graag meer) af.

De belangrijke vraag is hoe we moeten omgaan met optionaliteit van complementen in het lexicon. Moeten we alle uitsplitsingen, waarbij rekening is gehouden met het al dan niet optioneel zijn van een of meer complementen, uitwerken in S-frames of hoeven we de varianten waar de optionele complementen afwezig zijn niet apart op te nemen, zodat één S-frame zou volstaat? Dit probleem bij optionele complementen zal ik hieronder verder uitwerken. Met het werkwoord eten, dat een optioneel complement neemt, is dit probleem goed te illustreren.

Er zijn drie voorstellen voor het werkwoord eten:

  1. eten kan zowel intransitief als transitief zijn;
  2. eten is transitief, het complement is optioneel of impliciet;
  3. eten is transitief, het complement kan gedeleerd worden in een bepaalde context.

De voorstellen 2 en 3 lijken minimaal van elkaar te verschillen. In het derde voorstel kan het object syntactisch afwezig zijn na deletie, terwijl in het tweede voorstel de objectspositie altijd nog zichtbaar kan zijn in de vorm van een nulcomplement of een lege knoop. Voorstel 1 stelt dat er twee S-frames zijn: één voor het intransitieve en één voor het transitieve werkwoord eten.

Samengevat:

  1. eten [+ ], intransitief
    eten [+ NP], transitief
  2. eten [+ (NP)], waarbij de NP impliciet kan zijn
  3. eten [+ NP], met mogelijke deletie-operatie ("deleer NP")

De laatste twee voorstellen hebben met elkaar gemeen dat ze er niet van uitgaan dat eten oorspronkelijk twee S-frames heeft (of anders gesteld: dat er twee soorten van eten zijn), maar dat bij eten één S-frame hoort. Als we geen generalisaties willen missen, moeten we kiezen voor één S-frame.

In [Rigter & Beukema 1985, p. 64] wordt echter aangenomen dat het Engelse werkwoord eat twee verschillende S-frames heeft: één voor het intransitieve en één voor het transitieve werkwoord.

eat /1: NP [ — ]
eat /2: NP [ — NP ]

Rigter & Beukema (voortaan: R&B) baseren deze verschillende S-frames op semantische gronden. De twee verschillende S-frames houden twee verschillende 'dwingende gevolgtrekkingen' (Engelse term: entailments) in. De entailment-test gebruiken ze als criterium voor het onderscheid. (Hier wordt het symbool |- gebruikt voor de entailment-relatie.)

he is eating
|- he has eaten
he is eating an apple
¬|- he has eaten an apple

In de eerste zin heeft de persoon gegeten, ook al wordt hij tijdens het eten onderbroken. Dat hij heeft gegeten is een dwingende gevolgtrekking. In de tweede zin hoeft dit niet het geval te zijn. R&B menen dat het verschil in entailment te verklaren is door twee verschillende type werkwoorden aan te nemen met gescheiden S-frames.

Het is te betwijfelen dat het verschil in entailment het gevolg is van twee verschillende S-frames. We kunnen ons afvragen of dit resultaat van de entailment-test niet het gevolg is van het feit dat een appel eten een terminatief predikaat is ("een handeling met een eindpunt"). Vergelijk:

* hij heeft een appel gegeten maar hij werd halverwege onderbroken
hij heeft gegeten maar hij werd halverwege onderbroken
hij heeft van een appel gegeten maar hij werd halverwege onderbroken

In de tweede zin van \hetvb heeft het perfectum alleen een verleden-tijd-lezing. Een echt perfectieve lezing is niet mogelijk. Immers, als je halverwege onderbroken bent, is het eten dus niet voltooid. Deze semantiek lijkt zwaar te leunen op de semantiek van tempus en aspect, die misschien ook nog eens taalafhankelijk is, en heeft niets met (het verschil in) subcategorisatie te maken.

Verder blijkt deze entailment-test onderhevig te zijn aan de inhoud van de NP in termen van semantische kenmerken. De verschillen in entailment volgen dus niet zomaar uit het afwezig en aanwezig zijn van het complement. Als het optionele complement van een werkwoord gerealiseerd wordt, dan bepaalt het feature telbaarheid [+/–CNT] van de NP wat het resultaat is van de entailment-test. De bovenstaande entailment bij aanwezigheid van de NP geldt namelijk niet als het hoofd van de NP een ontelbaar [–CNT] zelfstandig naamwoord. Dit is te zien in de volgende voorbeelden waarin de werkwoorden drinken en eten) met een NP zijn gebruikt:

hij drinkt een glas [+cnt] wijn
¬|- hij heeft een glas wijn gedronken
hij drinkt (wat) wijn [–cnt]
|- hij heeft (wat) wijn gedronken
hij drinkt
|- hij heeft gedronken

Degene die een beetje drinkt, heeft op ieder moment een beetje gedronken, tenzij de persoon niet de kans kreeg om te drinken — maar dan is er geen sprake meer van drinken. Je moet in ieder geval een beetje — hoe weinig dat ook moge zijn — (drinkbare) vloeistof binnenkrijgen, wil je nog kunnen spreken van "drinken". Hetzelfde geldt voor het complement bij het werkwoord eten.

hij eet een boterham/biefstuk [+cnt/–mass]
¬|- hij heeft een boterham/biefstuk gegeten
hij eet (wat) brood/vlees [–cnt/+mass]
|- hij heeft (wat) brood/vlees gegeten.
hij eet |- hij heeft gegeten

Het verschil in entailment kan het gevolg zijn zijn van het feit dat het optioneel complement wel of niet fonetisch gerealiseerd is. Het betekenisverschil van 'activiteit' en 'voltooiing' zou dan direct worden veroorzaakt door de (syntactische) aan- of afwezigheid van het complement. Het hoeft dan nog niet om twee verschillende werkwoorden te gaan. Dit is misschien vergelijkbaar met lijden en lijden aan/onder.

hij lijdt erg veel pijn (= "pijn hebben")
hij lijdt aan die ziekte (= "die ziekte hebben")
hij lijdt onder die situatie (= "geen goed doen")

Het werkwoord lijden heeft de hoofdbetekenis van "(iets) ondergaan, dulden, verdragen, last hebben van, smart voelen, nadeel ondervinden". In combinatie met een complement (hier PP) wordt die betekenis verder gedifferentieerd/onderverdeeld (sub-betekenis).

Het betekenisverschil hoeft dus niet altijd verklaard te worden door verschillende S-frames bij werkwoorden met dezelfde vorm aan te nemen. Als een werkwoord een combinatie aangaat met een complement, dan ontstaat weer een nieuwe betekenis. Dit komt overeen met het principe van de Compositionaliteit: de betekenis wordt afgeleid uit de delen van het geheel. Het gaat er dan om hoe het geheel gestructureerd is. De totale betekenis hangt uiteindelijk af van de betekenis der delen. Een andere structuur levert dus ook een andere betekenis op.

De entailment-test is voor mij dus niet overtuigend. Het lijkt me beter om ervan uit te gaan dat al deze werkwoorden een intern argument hebben. Als een intern argument optioneel is, dan hoeft het in de oppervlaktestructuur niet altijd gerealiseerd te worden. We kunnen het daarom stellen met één S-frame voor het werkwoord eten. We zouden bovendien een gigantische generalisatie missen als we er twee van zouden maken. Het zouden er dan overigens meteen drie moeten worden, namelijk ook een voor eten van iets). Het lijkt me volslagen duidelijk dat er maar één eet-actie is. De verschillende implicaties moeten worden afgeleid van de verschillende concretiseringen van dit frame. Die moeten dus op een hoger niveau geregeld worden.

We krijgen dus bij het werkwoord eten het volgende S-frame:

ETEN: [IA(van+NP/NP:+OBJ)]

Nu zouden we in het S-frame de positie van het optionele interne argument alleen maar hoeven te markeren met een feature [+opt]. Op die plaats zou dan een nulcomplement mogen worden geïnserteerd.

De invulling van het feature optionaliteit kan misschien ook afgeleid worden uit andere kenmerken. Zo is te zien dat als het interne argument als NP gerealiseerd is, dit een terminatief predikaat oplevert. Als het interne argument echter als een nulcomplement of als een van-PP gerealiseerd wordt, hebben we de niet-terminatieve variant:

Jan drinkt een glas wijn
Jan drinkt van een glas wijn
Jan drinkt

Terminativiteit is te diagnostiseren door toevoeging van een flinke duratieve bepaling. Terminatieve predikaten krijgen dan een repetitieve betekenis: drie dagen lang ontplofte de bom.

drie dagen lang drinkt hij een glas wijn ("iedere dag een glas")
drie dagen lang drinkt hij van een glas wijn ("steeds hetzelfde?")
drie dagen lang drinkt hij ("gewoon duratief")

De invulling van het semantische feature TERMINATIEF blijkt bepalend te zijn voor de optionaliteit van een complement. Het werkwoord eten is gemarkeerd met het feature [+/–TERMINATIEF]. Dit wil zeggen dat het complement van dit werkwoord mag worden weggelaten. Als het wordt weggelaten, dan is het predikaat niet-terminatief. Werkwoorden zoals verorberen en opeten zijn daarentegen gemarkeerd met [+TERMINATIEF]. Bij deze terminatieve werkwoorden mag het complement niet worden weggelaten. Uit de interne semantiek van werkwoorden zoals verorberen en opeten volgt dus dat deze een verplicht complement nemen. Dit komt overeen met de feiten:

hij eet een boterham
hij eet
hij eet een boterham op
* hij eet op
hij verorbert een boterham
* hij verorbert

Het semantische feature [+/–TERMINATIEF] maakt het feature [+/–OPT] overbodig. De volgende redundantieregel zou kunnen gelden:

[a TERMINATIEF] —> [–a OPT].

We moeten concluderen dat optionaliteit een afleidbare eigenschap is. Het optioneel zijn van complementen hoeven we dus niet te verwerken in het S-frame. Dit volgt uit de semantiek.



Voor opmerkingen of vragen over deze pagina kunt u contact opnemen met Simon van Dreumel
Laatst gewijzigd op 25 augustus 2025