Nu lijkt het erop dat het onderscheid geselecteerde en niet-geselecteerde
(vrije) adjuncten samen zou vallen met 'verplichte versus optionele
bepalingen'. Dit hoeft niet het geval te zijn.
Er zijn namelijk onder de optionele bepalingen naast de
vrije bepalingen ook door het werkwoord geselecteerde bepalingen die
weglaatbaar zijn of onder bepaalde condities gedeleerd kunnen worden in de
oppervlaktestructuur (vergelijkbaar met optionele complementen die wel door
het werkwoord geselecteerd worden, maar die in de
oppervlaktestructuur niet aanwezig hoeven te zijn: zie werkwoord
eten in paragraaf \ref{paragraaf-optionaliteit}).
Dit is bijvoorbeeld het geval bij positiewerkwoorden als
zitten (= in zit-positie zijn), liggen (= in lig-positie zijn)
en staan (= in sta-positie zijn), en
mogelijk ook bij werkwoorden als blijven en achterlaten.
De optionele locatieve bepaling wordt geselecteerd door zo'n werkwoord.
| | hij zit/ligt/staat
|
| | hij zit/ligt/staat [op de bank]
|
| | hij blijft
|
| | hij blijft [in deze stad]
|
| | hij laat de sleutels achter
|
| | hij laat de sleutels [in zijn kamer] achter
|
We kunnen met de splits-criteria achterhalen of de locatieve bepaling
bij positie-werkwoorden wel of niet door het werkwoord geselecteerd wordt.
Deze criteria bepalen dan of de locatieve bepaling al dan niet opgenomen
moet worden in het S-frame van het werkwoord.
| | hij zit/ligt/staat op de bank
<> hij zit/ligt/staat, terwijl hij op de bank is/was
<> hij zit/ligt/staat. Het zitten/liggen/staan is op de bank
|
| | hij blijft in Leuven
<> hij blijft, terwijl hij in Leuven is
<> hij blijft. Het blijven is in Leuven is.
|
| | hij liet de sleutels in zijn kamer achter
<> hij liet de sleutels achter, terwijl hij in zijn kamer was
<> hij liet de sleutels achter. Het achterlaten van de sleutels is
in de kamer.
|
Als de oordelen juist zijn, dan lijkt me dat de locatieve bepalingen door
het werkwoord geselecteerd worden.
Het aantal en de aard van de bepaling bij een (positie)werkwoord is
beperkt: het neemt maar één locatieve bepaling.
Bovendien is bij de werkwoorden
zitten, liggen, staan, blijven, achterlaten
semantisch altijd de Locatief aanwezig, ook al is het syntactisch afwezig.
| | ik zit = ik zit [ergens op/in/...]
|
| | ik blijf = ik blijf [hier]
|
| | ik laat iets achter = ik laat iets [daar] achter
|
Die aanwezigheid kunnen we syntactisch aantonen met PRO-referentie:
| ik blijf, maar niet om te wonen
|
De verplichte locatief van wonen kan weg blijven vanwege de
impliciete locatieve bepaling bij blijven.
Bij het werkwoord achterlaten kunnen we iets soortgelijks zien:
| ? | als je iets achterlaat moet je daar een vlaggetje plaatsen
|
Hier zou daar kunnen verwijzen naar het impliciete argument
van achterlaten.
Als we tot de conclusie komen dat bepalingen bij positiewerkwoorden
geselecteerde bepalingen zijn en geen vrije bepalingen, dan is de vraag
of dit ook geldt voor bewegingswerkwoorden.
Bewegingswerkwoorden, zoals vertrekken, verhuizen, reizen, rijden,
zouden op dezelfde manier directionele bepalingen kunnen selecteren.
| | hij vertrekt/verhuist/reist/rijdt (impliciet: ergens naartoe)
|
| | hij vertrekt/verhuist/reist/rijdt naar België
<> hij vertrekt, terwijl hij naar België gaat
|
We moeten wel in het oog houden dat we hier wel met geselecteerde
bepalingen te maken hebben en niet met interne argumenten.
Bij PP's als interne argumenten wordt immers het dummy-voorzetsel bepaald
door het werkwoord.
De opdeling van een zin met behulp van en wel (+Bepaling) zoals in
(\ref{vb-en-wel}) is alleen mogelijk bij vrije en niet-vrije optionele
bepalingen. Dit is onmogelijk bij verplichte Bepalingen of interne
argumenten.
label{vb-en-wel}
| | hij speelt, en wel [voor/achter het huis]
|
| | hij zit/ligt/staat, en wel [op de bank]
|
| | hij vertrekt, en wel [naar Nijmegen]
|
| *? | hij laat de sleutels achter, en wel [in de kamer]
|
| * | hij woont, en wel [buiten/in Nijmegen]
|
| * | Nijmegen ligt, en wel [aan de Waal]
|
| | hij wacht, en wel [op Jan]
|
| ?* | hij eet, en wel [een boterham]
|
| * | hij verorbert, en wel [een boterham]
|
We kunnen deze gegevens uit (\ref{vb-en-wel}) verklaren vanuit het
optioneel of verplicht zijn van een categorie en de mate van binding
tussen het werkwoord en de betreffende categorie. Als een werkwoord
verplicht voor een categorie subcategoriseert, dan mag die categorie niet
ontbreken, anders krijgen we ongrammaticaliteit. We zien dan ook
dat als de verplichte categorie los in het en wel-gedeelte wordt
geplaatst, er ongrammaticaliteit ontstaat.
Het hoofdwerkwoord regeert dan immers niet meer het verplichte complement.
Door de scheiding van PP of NP via en wel valt de betreffende
categorie buiten het subcategorisatie-domein van V.
Er kan dan niet aan de subcategorisatie-eisen van het werkwoord worden
voldaan.
Bij interne argumenten is de binding met het werkwoord zeer sterk, sterker
dan die tussen werkwoord en bepaling. Een ontkoppeling van werkwoord en
intern argument via en wel levert ongrammaticaliteit op. De binding
tussen werkwoord en intern argument kan/mag dus niet onderbroken worden
door en wel. Dit is zelfs bij optionele interne argumenten,
gerealiseerd als NP, het geval.
Met de criteria [+/splits] en [+/enwel] kunnen we het verschil
tussen vrije bepalingen, geselecteerde en gesubcategoriseerde bepalingen
duidelijk maken.
Adverbiale bepalingen, met name locatieven, worden nu onderscheiden in
de volgende drie groepen:
| [+splits, +enwel]: | vrije adverbiale bepaling
|
| [splits, +enwel]: | geselecteerde maar niet gesubcategoriseerde bepaling
|
| [splits, enwel]: | complement of gesubcategoriseerde bepaling
|
Dit zou een mooie onderverdeling kunnen zijn. Het feature [enwel]
veronderstelt dan [splits]. Onduidelijk is echter nog wat dit voor
gevolgen heeft voor de theorie.
Gesubcategoriseerde bepalingen zijn altijd aanwezig, geselecteerde
bepalingen zijn tenminste altijd impliciet aanwezig.
Maar aan de andere kant is een plaatsbepaling op zinsniveau (locatie)
bij ieder werkwoord impliciet aanwezig, net zoals een
tijdsbepaling op zinsniveau (tempus).
In de zin ik lees een boek wordt het boek ergens gelezen door mij.
Een handeling vindt altijd ergens plaats.
Zo kan iemand niet een boek lezen terwijl diegene zich nergens bevindt.
Een voorwaarde voor gesubcategoriseerde adjuncten (adjunct-argumenten) is
daarom dat ze een aparte theta-rol van het werkwoord ontvangen.
Als dit niet het geval is, dan hebben we met autonome vrije bepalingen
(adjuncten) te maken die onafhankelijk zijn van het werkwoord.
Het volgende voorbeeld kan het verschil tussen gesubcategoriseerde en vrije
plaatsbepalingen verhelderen.
| | ik [woon in Nijmegen]
|
| | ik [lees een boek] in Nijmegen
|
Ieder discourse veronderstelt een Locatie en een Tempus voor de
spreker. Laten we dit Locs en Temps noemen.
In de b-zin van \hetvb valt de Locs samen met Nijmegen. In de
a-zin is dat echter niet zo. Immers, ik kan, terwijl ik me in Arnhem
bevind, zeggen: "ik woon nu in Nijmegen" (a-zin), terwijl ik in hetzelfde
geval niet kan zeggen: "ik lees nu een boek in Nijmegen" (b-zin).
Met andere woorden, geselecteerde plaatsbepalingen (in a-zin) specificeren
locaties van de handeling in de zin, terwijl niet-geselecteerde
plaatsbepalingen (in b-zin) iets zeggen met betrekking tot de Locs,
de plaats van de spreker op het moment van spreken.
We zien dat het niet altijd een kwestie is van een strikte opdeling
van complement versus adjunct. Er is hier ook een tussenvorm:
de gesubcategoriseerde bepalingen of adjunct-complementen. Het zijn
bepalingen die wel als complement optreden bij het werkwoord maar die ook
eigenschappen vertonen van adjunct.
De uiteindelijke analyse hiervoor zou zijn om te werken met twee
binaire features COMPL en ADJU: [+/compl, +/adju].
Er zijn dan vier varianten mogelijk waarvan er drie gelden voor deze kwestie.
De groep complement-argumenten wordt samengevat met [+compl,adju].
Complement-argumenten krijgen hun theta-rol van het werkwoord en
horen dus zeker thuis in het S-frame.
De adjuncten, aangeduid met de features [compl,+adju],
vallen buiten het S-frame. Ze krijgen geen theta-rol van het werkwoord.
Deze autonome adjuncten kunnen vrijelijk toegevoegd worden en dragen zelf
al inherent een theta-rol (zoals: locatief, temporeel).
Als tussenvorm bestaat de groep complementen met adjunct-eigenschappen:
de adjunct-argumenten (of: adjunct-complementen).
Deze groep kan worden aangegeven met [+compl,+adju]. Adjunct-argumenten,
die zelf al een inherente theta-rol hebben, ontvangen ook van het
werkwoord een theta-rol en worden daarom in het S-frame opgenomen.
Een opdeling is dus ook te maken op basis van de karakterisering van
het type rol: een rol die van buiten af is toegekend (bijvoorbeeld door
het werkwoord) en/of een rol die autonoom, locaal en woordgroep-inherent is.
Met deze twee kenmerken is dezelfde opdeling in drie groepen te maken:
- theta [+assigned, inherent]:
complementen hebben een thematische rol van het werkwoord,
maar ze hebben verder geen autonome of inherente rol;
- theta [+assigned, +inherent]:
adjunct-complementen hebben een thematische rol van het werkwoord
en hebben bovendien een autonome, locale, woordgroep-inherente rol;
- theta [assigned, +inherent]:
adjuncten hebben alleen een autonome, locale, woordgroep-inherente rol.
Bij subcategorisatie gaat het alleen om de complementen waaraan het
werkwoord een theta-rol toegekend. Dit zijn dus de groepen 1 en 2, die
samengenomen kunnen worden met de specificatie theta [+assigned].