Doctoraalscriptie (1996)
K.U. Nijmegen


Subcategorisatie
Een onderzoek naar SUBCATEGORISATIE en de verwerking ervan in een NLP-systeem.

Simon van Dreumel

Optionele geselecteerde bepalingen

Nu lijkt het erop dat het onderscheid geselecteerde en niet-geselecteerde (vrije) adjuncten samen zou vallen met 'verplichte versus optionele bepalingen'. Dit hoeft niet het geval te zijn. Er zijn namelijk onder de optionele bepalingen naast de vrije bepalingen ook door het werkwoord geselecteerde bepalingen die weglaatbaar zijn of onder bepaalde condities gedeleerd kunnen worden in de oppervlaktestructuur (vergelijkbaar met optionele complementen die wel door het werkwoord geselecteerd worden, maar die in de oppervlaktestructuur niet aanwezig hoeven te zijn: zie werkwoord eten in paragraaf \ref{paragraaf-optionaliteit}).

Dit is bijvoorbeeld het geval bij positiewerkwoorden als zitten (= in zit-positie zijn), liggen (= in lig-positie zijn) en staan (= in sta-positie zijn), en mogelijk ook bij werkwoorden als blijven en achterlaten. De optionele locatieve bepaling wordt geselecteerd door zo'n werkwoord.

hij zit/ligt/staat
hij zit/ligt/staat [op de bank]
hij blijft
hij blijft [in deze stad]
hij laat de sleutels achter
hij laat de sleutels [in zijn kamer] achter

We kunnen met de splits-criteria achterhalen of de locatieve bepaling bij positie-werkwoorden wel of niet door het werkwoord geselecteerd wordt. Deze criteria bepalen dan of de locatieve bepaling al dan niet opgenomen moet worden in het S-frame van het werkwoord.

hij zit/ligt/staat op de bank
<> hij zit/ligt/staat, terwijl hij op de bank is/was
<> hij zit/ligt/staat. Het zitten/liggen/staan is op de bank
hij blijft in Leuven
<> hij blijft, terwijl hij in Leuven is
<> hij blijft. Het blijven is in Leuven is.
hij liet de sleutels in zijn kamer achter
<> hij liet de sleutels achter, terwijl hij in zijn kamer was
<> hij liet de sleutels achter. Het achterlaten van de sleutels is in de kamer.

Als de oordelen juist zijn, dan lijkt me dat de locatieve bepalingen door het werkwoord geselecteerd worden. Het aantal en de aard van de bepaling bij een (positie)werkwoord is beperkt: het neemt maar één locatieve bepaling. Bovendien is bij de werkwoorden zitten, liggen, staan, blijven, achterlaten semantisch altijd de Locatief aanwezig, ook al is het syntactisch afwezig.

ik zit = ik zit [ergens op/in/...]
ik blijf = ik blijf [hier]
ik laat iets achter = ik laat iets [daar] achter

Die aanwezigheid kunnen we syntactisch aantonen met PRO-referentie:

ik blijf, maar niet om te wonen

De verplichte locatief van wonen kan weg blijven vanwege de impliciete locatieve bepaling bij blijven. Bij het werkwoord achterlaten kunnen we iets soortgelijks zien:

? als je iets achterlaat moet je daar een vlaggetje plaatsen

Hier zou daar kunnen verwijzen naar het impliciete argument van achterlaten.

Als we tot de conclusie komen dat bepalingen bij positiewerkwoorden geselecteerde bepalingen zijn en geen vrije bepalingen, dan is de vraag of dit ook geldt voor bewegingswerkwoorden. Bewegingswerkwoorden, zoals vertrekken, verhuizen, reizen, rijden, zouden op dezelfde manier directionele bepalingen kunnen selecteren.

hij vertrekt/verhuist/reist/rijdt (impliciet: ergens naartoe)
hij vertrekt/verhuist/reist/rijdt naar België
<> hij vertrekt, terwijl hij naar België gaat

We moeten wel in het oog houden dat we hier wel met geselecteerde bepalingen te maken hebben en niet met interne argumenten. Bij PP's als interne argumenten wordt immers het dummy-voorzetsel bepaald door het werkwoord.

De opdeling van een zin met behulp van en wel (+Bepaling) zoals in (\ref{vb-en-wel}) is alleen mogelijk bij vrije en niet-vrije optionele bepalingen. Dit is onmogelijk bij verplichte Bepalingen of interne argumenten.

label{vb-en-wel}
hij speelt, en wel [voor/achter het huis]
hij zit/ligt/staat, en wel [op de bank]
hij vertrekt, en wel [naar Nijmegen]
*? hij laat de sleutels achter, en wel [in de kamer]
* hij woont, en wel [buiten/in Nijmegen]
* Nijmegen ligt, en wel [aan de Waal]
hij wacht, en wel [op Jan]
?* hij eet, en wel [een boterham]
* hij verorbert, en wel [een boterham]

We kunnen deze gegevens uit (\ref{vb-en-wel}) verklaren vanuit het optioneel of verplicht zijn van een categorie en de mate van binding tussen het werkwoord en de betreffende categorie. Als een werkwoord verplicht voor een categorie subcategoriseert, dan mag die categorie niet ontbreken, anders krijgen we ongrammaticaliteit. We zien dan ook dat als de verplichte categorie los in het en wel-gedeelte wordt geplaatst, er ongrammaticaliteit ontstaat. Het hoofdwerkwoord regeert dan immers niet meer het verplichte complement. Door de scheiding van PP of NP via en wel valt de betreffende categorie buiten het subcategorisatie-domein van V. Er kan dan niet aan de subcategorisatie-eisen van het werkwoord worden voldaan. Bij interne argumenten is de binding met het werkwoord zeer sterk, sterker dan die tussen werkwoord en bepaling. Een ontkoppeling van werkwoord en intern argument via en wel levert ongrammaticaliteit op. De binding tussen werkwoord en intern argument kan/mag dus niet onderbroken worden door en wel. Dit is zelfs bij optionele interne argumenten, gerealiseerd als NP, het geval.

Met de criteria [+/–splits] en [+/–enwel] kunnen we het verschil tussen vrije bepalingen, geselecteerde en gesubcategoriseerde bepalingen duidelijk maken. Adverbiale bepalingen, met name locatieven, worden nu onderscheiden in de volgende drie groepen:

[+splits, +enwel]: vrije adverbiale bepaling
[–splits, +enwel]: geselecteerde maar niet gesubcategoriseerde bepaling
[–splits, –enwel]: complement of gesubcategoriseerde bepaling

Dit zou een mooie onderverdeling kunnen zijn. Het feature [–enwel] veronderstelt dan [–splits]. Onduidelijk is echter nog wat dit voor gevolgen heeft voor de theorie. Gesubcategoriseerde bepalingen zijn altijd aanwezig, geselecteerde bepalingen zijn tenminste altijd impliciet aanwezig. Maar aan de andere kant is een plaatsbepaling op zinsniveau (locatie) bij ieder werkwoord impliciet aanwezig, net zoals een tijdsbepaling op zinsniveau (tempus).

In de zin ik lees een boek wordt het boek ergens gelezen door mij. Een handeling vindt altijd ergens plaats. Zo kan iemand niet een boek lezen terwijl diegene zich nergens bevindt. Een voorwaarde voor gesubcategoriseerde adjuncten (adjunct-argumenten) is daarom dat ze een aparte theta-rol van het werkwoord ontvangen. Als dit niet het geval is, dan hebben we met autonome vrije bepalingen (adjuncten) te maken die onafhankelijk zijn van het werkwoord. Het volgende voorbeeld kan het verschil tussen gesubcategoriseerde en vrije plaatsbepalingen verhelderen.

ik [woon in Nijmegen]
ik [lees een boek] in Nijmegen

Ieder discourse veronderstelt een Locatie en een Tempus voor de spreker. Laten we dit Locs en Temps noemen. In de b-zin van \hetvb valt de Locs samen met Nijmegen. In de a-zin is dat echter niet zo. Immers, ik kan, terwijl ik me in Arnhem bevind, zeggen: "ik woon nu in Nijmegen" (a-zin), terwijl ik in hetzelfde geval niet kan zeggen: "ik lees nu een boek in Nijmegen" (b-zin). Met andere woorden, geselecteerde plaatsbepalingen (in a-zin) specificeren locaties van de handeling in de zin, terwijl niet-geselecteerde plaatsbepalingen (in b-zin) iets zeggen met betrekking tot de Locs, de plaats van de spreker op het moment van spreken.

We zien dat het niet altijd een kwestie is van een strikte opdeling van complement versus adjunct. Er is hier ook een tussenvorm: de gesubcategoriseerde bepalingen of adjunct-complementen. Het zijn bepalingen die wel als complement optreden bij het werkwoord maar die ook eigenschappen vertonen van adjunct. De uiteindelijke analyse hiervoor zou zijn om te werken met twee binaire features COMPL en ADJU: [+/–compl, +/–adju]. Er zijn dan vier varianten mogelijk waarvan er drie gelden voor deze kwestie. De groep complement-argumenten wordt samengevat met [+compl,–adju]. Complement-argumenten krijgen hun theta-rol van het werkwoord en horen dus zeker thuis in het S-frame. De adjuncten, aangeduid met de features [–compl,+adju], vallen buiten het S-frame. Ze krijgen geen theta-rol van het werkwoord. Deze autonome adjuncten kunnen vrijelijk toegevoegd worden en dragen zelf al inherent een theta-rol (zoals: locatief, temporeel). Als tussenvorm bestaat de groep complementen met adjunct-eigenschappen: de adjunct-argumenten (of: adjunct-complementen). Deze groep kan worden aangegeven met [+compl,+adju]. Adjunct-argumenten, die zelf al een inherente theta-rol hebben, ontvangen ook van het werkwoord een theta-rol en worden daarom in het S-frame opgenomen.

Een opdeling is dus ook te maken op basis van de karakterisering van het type rol: een rol die van buiten af is toegekend (bijvoorbeeld door het werkwoord) en/of een rol die autonoom, locaal en woordgroep-inherent is. Met deze twee kenmerken is dezelfde opdeling in drie groepen te maken:

  1. theta [+assigned, –inherent]:
    complementen hebben een thematische rol van het werkwoord, maar ze hebben verder geen autonome of inherente rol;
  2. theta [+assigned, +inherent]:
    adjunct-complementen hebben een thematische rol van het werkwoord en hebben bovendien een autonome, locale, woordgroep-inherente rol;
  3. theta [–assigned, +inherent]:
    adjuncten hebben alleen een autonome, locale, woordgroep-inherente rol.

Bij subcategorisatie gaat het alleen om de complementen waaraan het werkwoord een theta-rol toegekend. Dit zijn dus de groepen 1 en 2, die samengenomen kunnen worden met de specificatie theta [+assigned].



Voor opmerkingen of vragen over deze pagina kunt u contact opnemen met Simon van Dreumel
Laatst gewijzigd op 25 augustus 2025