In vroegere fasen van de generatieve grammatica werd de positie van het
finiete werkwoord (V) letterlijk gestipuleerd in een S-frame door een
liggend streepje te plaatsen op de syntactische positie waar V zou moeten
komen te staan. Het transitieve werkwoord beminnen, dat
subcategoriseert voor een NP-complement, werd dan als volgt weergegeven:
Er is echter enige variatie mogelijk in de positie van het werkwoord, in
\hetvb aangegeven met ''. Het hangt van het type zin (bijvoorbeeld
hoofdzin of ondergeschikte bijzin) af waar de persoonsvorm komt te staan.
Verschillende posities voor V [+FIN]
| | Jan [bemint] Marie
|
| * | Jan Marie [bemint]
|
| | [bemint] Jan Marie?
|
| | ... dat Jan Marie [bemint]
|
| * | ... dat Jan [bemint] Marie
|
| * | ... dat [bemint] Jan Marie
|
In een ondergeschikte bijzin, hier een CP met als Complementizer dat,
volgen in het Nederlands de NP-complementen niet het finiete werkwoord,
maar staan deze NP-complementen vóór het werkwoord\footnote{Deze
volgorde wordt in de volgende subparagraaf behandeld en verklaard voor
het Nederlands.}. In een hoofdzin staat het finiete werkwoord (V) op de
tweede plaats in de zin.
In een ja/nee-vraag staat de persoonsvorm in de oppervlaktestructuur
vooraan. De persoonsvorm in zo'n ja/nee-vraag staat op de tweede
positie staat. In dat geval is er geen subject getopicaliseerd, zodat
de [Spec,CP]-positie, de eerste positie van de zin, lexicaal leeg blijft.
De persoonsvorm staat dan gewoon op de tweede positie, zoals een
bevestigende hoofdzin.
We hebben dus twee verschillende posities van de persoonsvorm bij
verschillende structuren: de bijzin- en de hoofdzinstructuur.
We zouden deze verschillende V-posities afzonderlijk in het lexicon kunnen
opsommen. In feite is dit niet wat we willen. Als we dit zouden doen, nemen
we aan dat het een toevallige eigenschap betreft.
Dit blijkt niet het geval te zijn. De positie van de persoonsvorm
kan worden bepaald door algemene regels.
De V-positie is dus afleidbaar en hoeft niet in het S-frame gestipuleerd
te worden [Bennis & Hoekstra 1989].
De stipulatie van de positie zou dan overbodig zijn.
Daarbij komt nog dat een stipulatie niet echt verklarend is. Wil men kans
van slagen hebben voor de grammaticale beschrijving, dan zal de theorie,
naast de observationele en descriptieve adequaatheid,
verklarend\footnote{Chomsky gebruikte hiervoor de term explanatory
adequacy, een van de drie niveaus van adequaatheid in de syntaxis}
moeten zijn [Chomsky 1965].
In finiete bijzinnen staat het werkwoord dus achteraan in de zin en in een
hoofdzin op de tweede positie.
De werking van een transformationele regel als Verb Second (V2) en de
C-positie kan deze variatie in V-positie nader verklaren
[Bennis & Hoekstra 1989].
Op de C-positie staat gewoonlijk een complementizer (C) met het
finietheidskenmerk en de Agreement-features.
De transformationele regel V2 zet een finiet werkwoord op de C-positie,
de tweede positie van de zin. Om preciezer te zijn, wordt het finiete
werkwoord geadjungeerd aan de C die het finietheidskenmerk bevat.
Op deze C-positie kan echter ook gevuld zijn met
een Complementizer, zoals bijvoorbeeld
het ondergeschikt voegwoord dat of of, waardoor de regel
V2 geblokkeerd wordt.
Als de C-positie al gevuld is met een complementizer, zoals een
onderschikkend voegwoord dat of of, dan wordt de V2
geblokkeerd. Een V kan immers alleen aan de C geadjungeerd worden als die
C-positie lexicaal leeg is, wanneer er dus op die positie geen
complementizer staat.
Dit leidt er toe dat de persoonsvorm in een ondergeschikte bijzin achteraan
in de zin blijft, terwijl de persoonsvorm in een hoofdzin vanuit die positie
verplaatst wordt naar de tweede positie van de zin. Deze verplaatsing zou
wellicht meer principieel te motiveren zijn aan de hand van verplichte
Tense-bindingen [Bennis & Hoekstra 1989].
De positie van het finiete werkwoord volgt dus uit algemene regels of
principes en hoeft dus niet vastgelegd te worden in het lexicon.
Als de positie van de persoonsvorm afleidbaar is via algemene regels of
principes, kunnen we ons afvragen of dit ook niet het geval is voor
de volgorde van complementen.
In de volgende paragraaf zal worden bekeken of de mogelijke variatie
in de volgorde van complementen volgt uit algemene principes zodat deze
volgorde niet gestipuleerd hoeft te worden in het lexicon.